dinsdag 17 februari 2026

Perspectief

Zaterdag een braai in de tuin van Grant en Angus met een enorme biefstuk op het vuur. We aten samen met collega’s van Wits (The University of the Witwatersrand) onder de oude abrikozenboom voor “mijn” cottage waar ik altijd logeer als ik hier ben. 



’s Ochtends word ik wakker van de geluiden van hadeda’s (ibissen) en kwêvoëls (go-away birds – ze waarschuwen voor roofdieren). Beide namen zijn onomatopeeën, dus je hebt een idee. Toch vind ik dat heel fijn wakker worden. Geuren en geluiden als zintuigelijke signalen van plaats.

Zondag reden Igz en ik in haar autootje naar Pretoria waar haar collega Bongani Mkhonza woont. Hij en Igz hebben samen veel van de liedteksten van maskandaliederen van Zoeloe naar Engels vertaald, en ze hebben me verteld hoe moeilijk, maar ook hoe mooi dat was: diepe Zoeloe dichtkunst is door symboliek en ritme heel moeilijk te begrijpen voor niet-Zoeloesprekers. Ze hebben er iets prachtigs van gemaakt, en ik wilde ze bedanken door ze een boek te geven. 


We waren bij Bongani thuis uitgenodigd. Hij is kunsthistoricus aan de Universiteit van Zuid-Afrika in Pretoria/Tswane en hij heeft een grote collectie grammofoonplaten met Afrikaanse muziek. We hebben de hele middag maskanda gedraaid. Igz en hij hadden elkaar al veel te lang niet gezien en waren zo blij. Zijn gezin maakte een heerlijk maal voor ons: bonensalade, aardappelsalade, bladsalade, gegrilde groenten, sappige kip van de braai, gevuld met paprika. We werden ongelooflijk verwend. 

Maandagmorgen ging ik Uberen (dat is een werkwoord hier) naar het Johannesburg Theatre waar ik ontbeet met maskandi Bongani Nkwanyana. 


Er moet een boek geschreven worden over Bongani. Ik heb eerder over hem geblogd. De hele geschiedenis van Zuid-Afrika zit in zijn leven: hij is halverwege de 60, dus hij heeft de helft van zijn leven in de apartheid doorgebracht. Begonnen als schoonmaker in een restaurant, op zijn zestiende zijn eerste kind (dat hij inmiddels weer verloren heeft), hij knoopte de eindjes aan elkaar met zijn muziek, eindeloos gitaar spelen, kreeg een voet tussen de deur in de muziekindustrie, werd intussen heimelijk getraind in Lusaka (Zambia) bij de gewapende tak van het ANC (uMkhonto weSizwe). 

En toen kwam de omwenteling en de-bijna-burgeroorlog in 1994. Al in 1996 zei Bongani tegen het ANC dat ze de verkeerde kant op gingen, met hun mismanagement en zelfverrijking. Hij vertrok (“dit is niet waar we voor gevochten hebben”), onder grote consternatie, en ging maskandamuziek maken waar hij de nieuwe machthebbers genadeloos mee op de korrel nam. 

Maar de IFP (de populistische partij van Zoeloekoning Buthulezi) was ook niets voor hem. Dus wat deed hij toen? Hij sloot zich aan bij de DA (Democratic Alliance). Oei-oei-oei-oei-oei. Het is heus een fatsoenlijke partij nu, een soort D66, overlopend van blanke centrumrechtse redelijkheid, maar de partij kwam wel ooit voort uit de Nasionale Party, de enige partij van het apartheidsregime. Je kunt je voorstellen dat hem dat niet in dank werd afgenomen. Intussen bleef hij muziek maken, en kritische teksten schrijven. 

En nu is hij gemeenteraadslid voor de DA in Johannesburg, in de oppositie. Naar eigen zeggen heeft hij het vooral druk met ambtenaren wijzen op hun taken, die ze niet uitvoeren. Hij staat niet alleen in die observatie. Na jaren van corruptie onder Jacob Zuma is Zuid-Afrika er niet goed aan toe, nog minder goed dan toen ik hier vaak kwam in 2008 en 2009 en toen ik ook al blogde over de ghosts that haunt this country.

Er zijn infrastructurele problemen, zoals slechte wegen en een haperende water- en elektriciteitsvoorziening. Ook in het superwelvarende Melville hadden we wekenlang (en ik dus dagenlang) geen water. Niet door de droogte, maar door kapotte leidingen. Gelukkig hebben Grant en Angus een watertank zodat we minidouchjes konden nemen. 

Maar het ergste is de enorme criminaliteit: de moorden, de overvallen, de onveiligheid, dat je niet zomaar de straat op kan. Daar zijn vooral zwarte mensen het slachtoffer van, al blijven witten niet gespaard. De politie staat machteloos. Ramaphosa overweegt het leger in te zetten. 

En in direct verband daarmee (zowel als oorzaak als gevolg) staat de gigantische werkloosheid: 32% van de Zuid-Afrikanen is werkloos (wederom vooral zwarte Zuid-Afrikanen). En wat erger is: 60% van Zuid-Afrikaanse jongeren is werkloos. Zestig procent! De mensen die het land zouden moeten bouwen en de economie zouden moeten laten draaien zitten thuis duimen te draaien, of… vervallen in criminaliteit. De oudere Zuid-Afrikanen zitten begrijpelijkerwijs op hun baantje alsof hun leven ervan afhangt en gunnen de andere schaarse baantjes alleen aan naasten: een diepe cultuur van corruptie, overal, in alle lagen van de maatschappij.  

Dit is niet het propagandapraatje van de DA dat Bongani me voorschotelde. Iedere Zuid-Afrikaan, van welke kleur dan ook, klaagt erover en benoemt het. Veel van mijn vrienden willen liever niet hogerop in hun organisatie, want dan moet je ook corrupt worden om je er staande te houden. Mensen met skills blijven dus liever laag in de organisatiestructuur zitten. Het helpt allemaal niet. 

Gek genoeg maakt dit ontegenzeggelijke gebrek aan perspectief dat ik mijn eigen problemen meer in perspectief ga zien: de bangige Europeanen met hun hachje tussen Trump, Poetin en Xi in. Het lijkt allemaal ver weg. Er zijn hier andere urgente problemen. Dat geluid hoorde ik ook vanuit Zuid-Afrika en Indonesië tijdens de coronacrisis: nu (2020) is er een ziekte waar witte, noordelijk-halfrondmensen ook bang voor moeten zijn, en dan moeten we plotseling in wereldwijde lockdown. Alsof je buiten dat fijne Europese reservaat niet net zo makkelijk aan iets anders besmettelijks dood kan gaan: AIDS en/of TB – we noemen maar een dwarsstraat. Of malaria. Niet dat ik tegen die lockdowns was, integendeel, maar het plaatst mijn voorkeur wel in perspectief.  

Geen opmerkingen: