Hoezeer ik de techreuzen aan de overkant van de Atlantische plas ook wantrouw, Facebook is een fantastisch medium: voor het delen van ervaringen, voor het leggen van relaties die anders nooit gelegd zouden worden, én voor het in stand houden van vriendschappen met mensen wier contactgegevens je niet meer hebt.
Eén van hen is Lungisani. Toen Selby overleden was, was hij het die me vanaf 2015 overal naartoe reed, vooral naar Skho in Highflats, enkele uren rijden van Durban. Lungisani past een beetje op me als we onderweg zijn. Hij rijdt rustig. Hij vraagt in Zoeloe de weg als we niet precies weten of we de goede kant op gaan. En we kunnen eindeloos kletsen in de auto over van alles.
Toen hij mijn foto's van mijn broekpresentatie op Facebook zag, stuurde hij me een berichtje: "Hee, je bent in Durban! Hoop dat je het goed maakt." Het leek me hartstikke leuk hem weer te zien, en ik had bovendien zijn diensten nodig. Ik wilde naar de township uMlazi en daar kun je heen Uberen, maar probeer dan maar eens een Uber terug naar Durban te krijgen. De meeste mensen die er niet wonen, komen er liever niet; Uberchauffeurs ook niet.
Maar Lungisani wilde me wel rijden, en vond het geen probleem te wachten terwijl ik met Skho en haar familie een feestje aan het bouwen was. We nodigen Lungi altijd uit om mee te eten en te dansen, maar hij vindt het prettiger in zijn auto. Filmpjes kijken, beetje bellen. Hij vermaakt zichzelf wel.
"Hey, hey, hey!" zei hij op weg naar uMlazi. "Hey, Barbara, we hebben elkaar veel te lang niet gezien. Waar was je al die tijd?" Zonder mijn antwoord af te wachten vervolgde hij met zijn Facebookobservaties van mijn omzwervingen. "Ik zie dat je vaak in een land bent... het lijkt een beetje op India of China...?" "Dat klopt" zei ik. "Dat is Indonesië" en ik vertelde hem van mijn werk daar en mijn kindertijd, en waarom ik er geregeld heen moet: de Jaap Kunst Collectie, het Nederlandse koloniale verleden (inclusief mijn familieverleden), en mijn gevoel van thuis-zijn daar.
Lungisani liet dat allemaal even op zich inwerken terwijl hij door het verkeer manoeuvreerde, en zei toen iets wat ik me zelf nog helemaal niet gerealiseerd had. "Dus dat betekent," zei hij, "dat je daar in Indonesia, of hoe het ook mag heten, ook een Lungisani hebt die je rondrijdt en ook een Skho die je opzoekt?"
Dat is eigenlijk wel zo, ja, bedacht ik. Mas Budi rijdt me rond op Midden-Java, Bang Tilik op Zuid-Nias. Ik verbind me aan mensen die ik vertrouw en ik heb het voorrecht dat ik ze goed kan betalen voor hun diensten, dus ze kunnen mij ook vertrouwen. Citra is een middenklasse academicus, geen straatarme muzikant, zoals Skho, maar beide zijn mijn BFF. Pak Dodi en zijn vrouw die de homestay runnen in Yogya nodigden mij afgelopen jaar bij hen thuis uit voor het eten, en kwamen naar mijn lezing. Als ik langer bij hen had vertoefd was ik misschien wel net zo vertrouwd met hen geraakt als met Mackaya Bella guesthouse-runners Louise en Jon die me vanaf dag 1 in Durban in 2008 onder hun vleugels namen. We zijn nog steeds bevriend. En dat ben ik ook met Mas Ali, in wiens prachtige optrekjes in Yogya ik geregeld logeer.
"Hey, hey hey" zei Lungisani bewonderend. "You are a free bird, hey Barbara. You have friends everywhere in the world!". Ik voelde me gloeien van trots. Ik weet dit natuurlijk wel, maar ik heb het nooit benoemd. Lungisani observeerde het voor mij. En hij vond er wat van. Dat was fijn.
De vergelijking met een zeker type lieden dat "in elk stadje een schatje heeft" dringt zich op. Ik zeg vaak gekscherend dat ik in elk land een "favourite gay couple heb" - in Nederland, Engeland, Schotland, Zuid-Afrika en ook Indonesië - en ik vraag me af wat Lungisani daarvan zou vinden. Maar dat suggereert dat al die schatten inwisselbaar zijn, en dat zijn ze niet. Dat zei ik Lungisani ook: er is geen andere Lungisani dan jij.
Zoals Lungisani zich verwondert over mijn ervaringen in Indonesië, of hoe het ook mag heten, zo verwonderen mijn contacten in Nias, Timor en Java zich over mijn ervaringen hier in Zuid-Afrika die ze op Facebook tegenkomen: de Zoeloedans, het maskandagitaarspel, de bomen, het landschap.
Ik had wat appverkeer de laatste dagen met Bang Tilik die me op de brommer in Zuid-Nias overal heenreed. Op dit moment zijn Niassers uit het dorp Hilisimaetanö en uit Jakarta (mede door mijn bemiddeling) met fondsen van de Nederlandse zending bezig met een project om traditionele Zuid-Niasse hohozang te integreren in de Lutherse kerkdienst, de zang die de zendelingen ooit verboden. Nu vinden deze Niassers een nieuwe bestemming en functie voor hoho. De foto's van de opnames in Hilisimaetanö kwamen door op Facebook terwijl ik mijn boekpresentatie hield in Durban.
Ik voelde me verbonden met wat ze daar aan de andere kant van de Indische Oceaan aan het doen waren. Als ik in Durban in noordoostelijke richting uitkijk over de zee dan ligt daar ver, heel ver achter de horizon Nias, ik hoef de zee alleen maar over te steken.

