dinsdag 17 februari 2026

Ding

Ik had me niet gerealiseerd hoe belangrijk een boek is. Een boek niet als pdf met een al dan niet belangwekkende inhoud, of als omslag op de website van een uitgever, maar als ding, als iets wat je in je handen houdt en dan overhandigt of overhandigd krijgt. Waar je in kan bladeren, een opdracht in kunt schrijven en aantekeningen in kunt maken.


Met Bongani Nkwanyana

Nu ik exemplaren overhandig aan degenen op wier kennis de inhoud van dit boek rust voel ik de objectstatus ervan. Het staat voor vele, veel grotere betekenissen, voor de vele lagen van interactie met alle inspiratie, wrijvingen, angsten, twijfels en inzichten, en vooral veel vreugde en gezamenlijkheid die in die interactie besloten liggen. Daarmee krijgt het ding een spirituele dimensie, wordt het een wezen, reikt het eigenlijk voorbij zijn objectstatus in de westerse zin van het woord. 

Mijn fantastische tante Eva vertelde dat ze als kind in een boekenminnende familie af en toe stiekem bladerde in de boeken van haar ouders, en als het boek dan heel mooi en heel oud was, en heel lekker rook, dan likte ze de pagina's met haar tong om het boek te proeven. Ook in haar (en dus mijn) familie zijn boeken een beetje heilig.

Met Ignatia Madalane en Bongani Mkhonza

Zoals gezegd heb ik mijn twijfels bij het boek. Ik heb er lang aan gewerkt (15 jaar) en het heeft daarna nog eens 4 jaar geduurd voor het nu in de openbaarheid komt. Die lange tijd alleen al draagt iets belangwekkends met zich mee, tegen wil en dank. Als mijn Zuid-Afrikaanse collega’s en vrienden het aannemen is dat met een soort eerbied die me ongemakkelijk maakt maar ook blij: het boek betekent iets. Het maakt een verschil, misschien niet in de internationale bekendheid van maskanda (wat veel muzikanten hopen), maar wel in hoe Zuid-Afrikanen zelf naar dit gemarginaliseerde genre kijken, hoe ze het waarderen. Het boek legitimeert vreugde en trots. En dat is meteen de ongemakkelijkheid: ik heb met het boek witte Europese goedkeuring gegeven aan Zoeloe maskanda. Dat zou niet moeten hoeven. Maar het is wel een deel van de betekenis.  

Met S'kho Miya

Perspectief

Zaterdag een braai in de tuin van Grant en Angus met een enorme biefstuk op het vuur. We aten samen met collega’s van Wits (The University of the Witwatersrand) onder de oude abrikozenboom voor “mijn” cottage waar ik altijd logeer als ik hier ben. 



’s Ochtends word ik wakker van de geluiden van hadeda’s (ibissen) en kwêvoëls (go-away birds – ze waarschuwen voor roofdieren). Beide namen zijn onomatopeeën, dus je hebt een idee. Toch vind ik dat heel fijn wakker worden. Geuren en geluiden als zintuigelijke signalen van plaats.

Zondag reden Igz en ik in haar autootje naar Pretoria waar haar collega Bongani Mkhonza woont. Hij en Igz hebben samen veel van de liedteksten van maskandaliederen van Zoeloe naar Engels vertaald, en ze hebben me verteld hoe moeilijk, maar ook hoe mooi dat was: diepe Zoeloe dichtkunst is door symboliek en ritme heel moeilijk te begrijpen voor niet-Zoeloesprekers. Ze hebben er iets prachtigs van gemaakt, en ik wilde ze bedanken door ze een boek te geven. 


We waren bij Bongani thuis uitgenodigd. Hij is kunsthistoricus aan de Universiteit van Zuid-Afrika in Pretoria/Tswane en hij heeft een grote collectie grammofoonplaten met Afrikaanse muziek. We hebben de hele middag maskanda gedraaid. Igz en hij hadden elkaar al veel te lang niet gezien en waren zo blij. Zijn gezin maakte een heerlijk maal voor ons: bonensalade, aardappelsalade, bladsalade, gegrilde groenten, sappige kip van de braai, gevuld met paprika. We werden ongelooflijk verwend. 

Maandagmorgen ging ik Uberen (dat is een werkwoord hier) naar het Johannesburg Theatre waar ik ontbeet met maskandi Bongani Nkwanyana. 


Er moet een boek geschreven worden over Bongani. Ik heb eerder over hem geblogd. De hele geschiedenis van Zuid-Afrika zit in zijn leven: hij is halverwege de 60, dus hij heeft de helft van zijn leven in de apartheid doorgebracht. Begonnen als schoonmaker in een restaurant, op zijn zestiende zijn eerste kind (dat hij inmiddels weer verloren heeft), hij knoopte de eindjes aan elkaar met zijn muziek, eindeloos gitaar spelen, kreeg een voet tussen de deur in de muziekindustrie, werd intussen heimelijk getraind in Lusaka (Zambia) bij de gewapende tak van het ANC (uMkhonto weSizwe). 

En toen kwam de omwenteling en de-bijna-burgeroorlog in 1994. Al in 1996 zei Bongani tegen het ANC dat ze de verkeerde kant op gingen, met hun mismanagement en zelfverrijking. Hij vertrok (“dit is niet waar we voor gevochten hebben”), onder grote consternatie, en ging maskandamuziek maken waar hij de nieuwe machthebbers genadeloos mee op de korrel nam. 

Maar de IFP (de populistische partij van Zoeloekoning Buthulezi) was ook niets voor hem. Dus wat deed hij toen? Hij sloot zich aan bij de DA (Democratic Alliance). Oei-oei-oei-oei-oei. Het is heus een fatsoenlijke partij nu, een soort D66, overlopend van blanke centrumrechtse redelijkheid, maar de partij kwam wel ooit voort uit de Nasionale Party, de enige partij van het apartheidsregime. Je kunt je voorstellen dat hem dat niet in dank werd afgenomen. Intussen bleef hij muziek maken, en kritische teksten schrijven. 

En nu is hij gemeenteraadslid voor de DA in Johannesburg, in de oppositie. Naar eigen zeggen heeft hij het vooral druk met ambtenaren wijzen op hun taken, die ze niet uitvoeren. Hij staat niet alleen in die observatie. Na jaren van corruptie onder Jacob Zuma is Zuid-Afrika er niet goed aan toe, nog minder goed dan toen ik hier vaak kwam in 2008 en 2009 en toen ik ook al blogde over de ghosts that haunt this country.

Er zijn infrastructurele problemen, zoals slechte wegen en een haperende water- en elektriciteitsvoorziening. Ook in het superwelvarende Melville hadden we wekenlang (en ik dus dagenlang) geen water. Niet door de droogte, maar door kapotte leidingen. Gelukkig hebben Grant en Angus een watertank zodat we minidouchjes konden nemen. 

Maar het ergste is de enorme criminaliteit: de moorden, de overvallen, de onveiligheid, dat je niet zomaar de straat op kan. Daar zijn vooral zwarte mensen het slachtoffer van, al blijven witten niet gespaard. De politie staat machteloos. Ramaphosa overweegt het leger in te zetten. 

En in direct verband daarmee (zowel als oorzaak als gevolg) staat de gigantische werkloosheid: 32% van de Zuid-Afrikanen is werkloos (wederom vooral zwarte Zuid-Afrikanen). En wat erger is: 60% van Zuid-Afrikaanse jongeren is werkloos. Zestig procent! De mensen die het land zouden moeten bouwen en de economie zouden moeten laten draaien zitten thuis duimen te draaien, of… vervallen in criminaliteit. De oudere Zuid-Afrikanen zitten begrijpelijkerwijs op hun baantje alsof hun leven ervan afhangt en gunnen de andere schaarse baantjes alleen aan naasten: een diepe cultuur van corruptie, overal, in alle lagen van de maatschappij.  

Dit is niet het propagandapraatje van de DA dat Bongani me voorschotelde. Iedere Zuid-Afrikaan, van welke kleur dan ook, klaagt erover en benoemt het. Veel van mijn vrienden willen liever niet hogerop in hun organisatie, want dan moet je ook corrupt worden om je er staande te houden. Mensen met skills blijven dus liever laag in de organisatiestructuur zitten. Het helpt allemaal niet. 

Gek genoeg maakt dit ontegenzeggelijke gebrek aan perspectief dat ik mijn eigen problemen meer in perspectief ga zien: de bangige Europeanen met hun hachje tussen Trump, Poetin en Xi in. Het lijkt allemaal ver weg. Er zijn hier andere urgente problemen. Dat geluid hoorde ik ook vanuit Zuid-Afrika en Indonesië tijdens de coronacrisis: nu (2020) is er een ziekte waar witte, noordelijk-halfrondmensen ook bang voor moeten zijn, en dan moeten we plotseling in wereldwijde lockdown. Alsof je buiten dat fijne Europese reservaat niet net zo makkelijk aan iets anders besmettelijks dood kan gaan: AIDS en/of TB – we noemen maar een dwarsstraat. Of malaria. Niet dat ik tegen die lockdowns was, integendeel, maar het plaatst mijn voorkeur wel in perspectief.  

zaterdag 14 februari 2026

Full circle

Veel vreugde in mijn leven rust op vriendschappen. Dat is in Nederland zo, en hier in Zuid-Afrika ook.

Ik wist zelf niet precies waarom ik weer naar Zuid-Afrika wilde, na bijna zeven jaar afwezigheid (algehele lockdowns, mijn eigenste long-covidlockdown en verplichtingen in Indonesië – redenen genoeg, maar toch). Ik wilde vooral mijn vrienden weer eens zien. 

Dus ik boekte maanden geleden al een vlucht, bedacht toen dat het misschien leuk was om exemplaren van mijn boek te kunnen geven aan de mensen op wier kennis en kunde (en vaak ook kassa) de inhoud van het boek rust: de maskandamuzikanten, de tolken, de festivalorganisatoren, de producers, mijn collega’s aan de Universiteit van KwaZulu-Natal (UKZN).

Dus ik bestelde een doosje bij mijn uitgever en liet het naar een vriend in Johannesburg sturen. 

En toen kwamen er wat familieomstandigheden op de proppen, dus het leek erop alsof ik helemaal niet zou gaan. En ik had nog niemand hier verteld dat ik er aankwam.

En toen ik toch kon vertrekken en bericht gaf dat ik er aankwam, bleken ook de mensen die ik de afgelopen zeven jaar nauwelijks gesproken heb nog te weten wie ik was. En de warmte van het onthaal raakt me. Afrikaanse gastvrijheid noemen ze dat hier. En in tegenstelling tot het nogal gepolitiseerde begrip ubuntu is die gastvrijheid een deugd waar iedere Zuid-Afrikaan - jong, oud, m/v/x, en van welke kleur dan ook – een vanzelfsprekende eer in schept en die eer altijd leuk maakt.

Met S'kho heb ik over de jaren heen intensief contact gehouden. S'kho en ik noemen elkaar "Zus" zoals mijn broer en ik elkaar ook "Zus" en "Broer" noemen. S'kho en ik noemen mijn moeder "onze moeder" omdat ze S'kho en haar familie in 2019 heeft opgezocht. Voor S’kho zijn we familie. Voor mij ook intussen, denk ik. 

Al videobellend gaf ze me een college over het belang van mijn boek. We zijn ongeveer even oud, wat betekent dat zij is opgegroeid tijdens de Apartheid. Ze heeft nauwelijks opleiding kunnen genieten en ondanks de precaire omstandigheden waarin ze leeft, en waarover ik vaak geblogd heb, heeft ze een soevereiniteit die ik, met al mijn opleiding en privileges, niet heb. Misschien komt dat omdat ze – veel beter dan ik – weet wat belangrijk is en wat niet. 

Ik heb vanaf het begin van mijn onderzoek in 2008 twijfels gehad over het boek. Wie ben ik om als witte vrouw uit Europa iets zinnigs te zeggen over een Afrikaanse muziekpraktijk die door zwarte mensen wordt gemaakt, ontwikkeld en uitgevoerd in niet zelden de meest precaire sociaal-economische omstandigheden. Ik heb die twijfel verwerkt in het boek en er op gereflecteerd in mijn analyses, maar ook dat is een privilege. De substantie van het boek is van de musici, niet van mij.

Maar S’kho denkt daar heel anders over. “Het is ongelooflijk belangrijk dat je een boek geschreven hebt over maskanda” zei ze vanochtend. “Je hebt iets geweldigs gedaan. Het is belangrijk dat jouw boek, jouw naam, jouw werk hier bekend is, dat de mensen híer weten dat je dit gedaan hebt.” “Maar het is vooral jouw werk” zei ik. “Jouw uitvoeringen, jouw muziek, jouw kennis” “Neehoor” zei S’kho vastbesloten. “Het was jouw idee om een boek te schrijven, en het zijn jouw ideeën in het boek. En we moeten vieren dat het er nu is.”

En als S’kho iets in haar hoofd heeft, dan gebeurt het, zoveel weet ik intussen ook. We spraken een prijs af, ze is een band bij elkaar aan het zoeken. Ik kon via collega’s van de universiteit het Centre for Jazz and Popular Music (CJPM) van UKZN reserveren. Iedereen wist nog wie ik ben. Iedereen wilde me helpen. Ik krijg het voor een vriendenprijsje op een vrijdagavond, dan kan zoveel mogelijk geld naar de musici gaan. Ze maken een poster voor me en stuurden me een lijst met mensen die ik in elk geval moet uitnodigen. 

Zo kwam er binnen een halve dag een heuse boekpresentatie tot stand. 

Het Centre for Jazz and Popular Music… Daar zwaaide mijn toenmalige geliefde Mageshen destijds zijn scepter. Ik kwam er bijna dagelijks, de spreekwoordelijke extension of my living room. En wat belangrijker is: in het CJPM ontmoette ik S’kho voor het eerst, in 2008, toen ze er optrad met haar band, het begin van een jarenlange samenwerking en vriendschap. 

Wat een verleden heb ik hier liggen, en hoe wonderbaarlijk is het om nu weer door dat verleden aangeraakt te worden. Of beter gezegd: wat een waanzinnig gevoel om na al die jaren afwezigheid in zo’n gespreid bedje te vallen, in een warm sociaal netwerk dat er gewoon nog is. “Welcome home”, zegt iedereen.

Regen

De timing van mijn trip naar Zuid-Afrika was weloverwogen. Ik hoef de lezertjes van dit blog niet te vertellen dat februari de meest deprimerende maand op het noordelijk halfrond is: vroeg invallende duisternis, dagenlange donkergrijze bewolking, kouwe nattigheid - maandenlang, en dan moet je nog een week of 6 in de grauwigheid doorbrengen voordat er iets een beetje op lente begint te lijken. En ik kon twee weken afwezigheid om mijn colleges heen bouwen.

Dus mijn voornemen was om hier eens lekker in de zon te gaan liggen bakken. De voorspellingen zagen er goed uit: zon, rond de 30 graden. Grant en Angus hebben een zwembad in de tuin. 

Maar de goden beslisten anders. We hadden al turbulentie bij de landing: onweer. Op weg van de luchthaven naar Grants huis begon het te regenen. De eerste regen in weeeeken, zei Grant. Eindelijk. 

Regen is iets wonderbaarlijks. Ik heb er eens met een Iraanse winkelier in Lombok (Utrecht) een discussie over gehad. “Jullie Nederlanders klagen altijd over de regen” zei hij. “Maar regen brengt leven. Kijk naar kinderen, het eerste wat ze doen als ze een regenplas zien is er keihard met twee voetjes tegelijk in stampen. Lekker nat. Alles wat van boven komt, is goed.”

En toen ik in Grants tuin uit de auto stapte, herinnerde ik me die discussie. De aarde, de grond, de bomen en de bladeren reageren op de vochtigheid van boven. Allerlei mineralen komen los. De geur van net gevallen regen heeft iets geestverruimends, zeg ik altijd. Maar het is in feite de geur van net bevochtigde aarde. Je ruikt de plek waar je bent. Heel direct en onontkoombaar. Dat maakt het zo’n krachtige ervaring.

Als ik met vrienden uit Zuidoost Azië praat over net gevallen regen, dan weten we allen precies hoe dat ruikt en hoe dat een gevoel van thuiskomst geeft. In de bossen bij Doorn, waar ik ben opgegroeid, kun je de geur van natte dennenappels uit duizenden herkennen. En toen ik donderdag uit de auto stapte in Melville, Johannesburg rook ik Zuid-Afrika: in minder dan een seconde drong het besef van plaats tot diep in mijn neusholte, hersenen en longen door. De geur van een net bevochtigde omgeving is overal weer anders, en overal onmiskenbaar: je herkent meteen waar je bent.

Die machtige zintuiglijkheid deed niets af aan het feit dat ik het na verschillende gigantische nachtelijke onweersbuien gisteren wel een beetje fris had, met alleen maar zomerjurken in mijn koffer. En we konden een braai in de tuin houden, maar wel tussen de buien door. Echt problemen van Nederlanders, zou de Iraanse winkelier zeggen. 

En ook hiervan weten mijn Zuid-Afrikaanse vrienden een welkomstgeschenk te maken: “We have been cooked here all week, and now you have brought us the rains! You see why you should come this side more often? You bought us the rains! Finally!”





woensdag 17 juli 2019

If you’re happy, I’m happy

Na onze Kaapse villa in de Mother City, ons Kaaps-Hollandse strandhuisje in Wilderness, onze bipolaire hosts in het Britse landhuis in Durban over wier creepy-ness je een griezelboek zou kunnen schrijven (te lang voor een blog), hebben we nu onderdak in een garagebox in Graskop.
Bergklimaat hier in Mpumalanga. Overdag 28 graden. ’s Nachts steenkoud. De airco in de garabox staat op 30 graden en zodra je hem uitzet slaat de klamme kou je op de huid. De auto is naar buiten verbannen.

Wat een ontberingen. Pa had een rolberoerte gekregen, zeggen Martha en ik gierend  van de lach tegen elkaar. De ontbijtzaal ligt in het donker naast het zwembad onder een golfplaten dak en daar is ook een lounge op tegelvloeren waar we allemaal gebruik van mogen maken. Het is een unheimisch soort glorie-die-nooit-geweest-is luxe (in tegenstelling tot vergane-glorie luxe waar ik erg van houd, ook als het geen luxe is).

In plaats daarvan zitten we in het restaurantje naast het B&B bij een houtvuur waar ze pizza’s op bakken en een olielampje op tafel. We zijn in een aanhoudende machtsstrijd verwikkeld met de trainee-serveerster over het volume van de muziek. We vragen om beurten of het zachter mag. Daarna zet zij hem weer harder.

Morgen gaan we een tour doen in Blyde River Canyon. Google het even op _images_ en je weet waarom we hier zijn.

Willem verwelkomde ons bij de receptie. Hij had een groot ijzeren kruis om zijn nek hangen en worstelt naar mijn indruk hardhandig met zijn geaardheid. Een heel lieve man, die net als onze vorige hosts meer zijn best doet voor ons dan we ooit zouden kunnen wensen.

Misschien vinden wij het ook gewoon wel een beetje moeilijk om te ontvangen. Iedereen van Kaapstad tot Graskop zegt: “If you’re happy, I’m happy.” Laat ik dat nu net een beetje aan het afleren zijn…

Highflats revisited again

Deze hele vakantie is een aaneenrijging van hoogtepunten: de Kaap, de Garden Route, twee oceanen, de bergen, olifanten, leeuwen, zebra’s, koedoes, giraffen, roofvogels, heerlijk eten, en ontzettend gave ontmoetingen met heel veel mensen.

De meest bijzondere dag tot nu toe vond ik afgelopen maandag. Ik nam mijn moeder mee naar mijn “familie” hier in Highflats. Ik heb een Zoeloenaam, Nompilo, die mijn positie in de familie aangeeft. Skho en haar zussen zijn ook mijn zussen en Skho’s dochter Akhona laat – half grappend, half serieus – weten dat ik daarmee ook de grootmoeder (igogo) van haar dochter Lisakhanya ben.
Barbara, Akhona, Lisakhanya
Nani, Martha, Skho
Mijn moeder is dus de grote grootmoeder: igokhulu. De betekenis van haar bezoek was enorm. Ze werd aan iedereen voorgesteld en iedereen aan haar. uMama Nompilo, de moeder van Nompilo.


Ze mocht even rusten op het enige bed in huis terwijl wij boodschappen deden in het dorp: bier en sterke drank vooral.

Skho was buiten zichzelf van blijdschap, ondanks het feit dat een nicht van haar vorige week overleden is omdat ze ziek was, iedereen zaterdag naar de begrafenis was geweest,  en we ook respect aan haar moeder gingen betuigen. Het werd voor mij zo makkelijker invoelbaar dat vreugde en verdriet dicht bij elkaar kunnen liggen.

En voor mij was het ontzettend belangrijk om mijn ervaringen in Highflats met iemand te kunnen delen die geen deel uitmaakt van de gemeenschap waar ik zelf onderhand ook deel van ben. En dat doet me ook beseffen hoeveel ik met mijn moeder kan delen, en hoe weinig mensen zoveel met hun moeder kunnen delen.
Niet alleen de warmte en de emotie van het weerzien, ook de spanning die de kloof tussen onze respectievelijke bestaanszekerheid omspant was weer voelbaar. Mijn moeder wees me er op dat het eeuwige getouwtrek over mijn aankomst- en vooral vertrektijden en wat we wanneer gaan doen een machtsspel is, een onderhandeling over zeggenschap, en dan niet zozeer met woorden (waarin ik gewiekst kan zijn) maar met acties (waarin ik een stuk minder gewiekst ben).

Ik had dat altijd alleen maar gevoeld, nooit geconceptualiseerd, en het maakte het lichter – de onzekerheid over of ik op mijn strepen moet staan of toe moet geven. Of ik me nog meer centen uit mijn zak laat kloppen of laat weten dat het nu op is. Of ik op de aangekondigde vertrektijd echt in de auto stap en de verontwaardiging daarover over me heen laat komen, of dat ik toch nog even blijf.

En ik kon met mijn moeder die idiote overgangen delen: ’s ochtends eieren met spek in ons Engelse landhuis en de platte grappen van onze gastheer, ’s middags in Higflats, en ’s avonds pizza eten met Jon en Louise en een jazzconcertje in Durbans lushe suburbs. Pffff, wat een zwaar leven.

zondag 14 juli 2019

Zorgzaamheid

Gisteren hadden we François en zijn vrouw als hosts in ons Afrikaner vakantiepark nabij Addo Elephant Park. Vandaag hebben we Kenneth en Norma als onze hosts in een voor mij nieuw guesthouse in Durban. Groter kunnen de verschillen niet zijn en toch vertellen die verschillen me vooral iets over mezelf.

Ik had ons voor één nacht in een game lodge geboekt, nabij Port Elizabeth, zodat we op de dag voor onze vlucht naar Durban en in de ochtend nog een game drive zouden kunnen doen. Dat lukte wonderwel: een uur van het vliegveld en toch in de bush.

En we zagen hele mooie dieren op onze twee safari's.









Maar de game lodge was met alle comfort en goede zorgen toch een rare ervaring. Een uiterst hartelijke Boer die jarenlang een melkveebedrijf had gehad, maar sinds drie jaar overgestapt was op game drives als verdienmodel. Terwijl Addo een nationaal park is, is de grond om zijn lodge zijn privé-eigendom en hij jaagt er: zijn hele eetzaal hing vol met opgezette dieren, terwijl wij genoten van een diner, dat alleen bestond uit heel veel vlees en brood (en een beetje sla, gebiedt de eerlijkheid te zeggen). En het was erg lekker.

De volgende ochtend brachten hij, zijn vrouw en zijn kleindochter van 4 ons naar de luchthaven. We verstaan elkaars taal en toch zullen zij met net zoveel verbazing naar ons gekeken hebben als wij naar hen. Vooral toen de discussies over politiek begonnen. Ik vind het moeilijk mezelf erin te plaatsen, want ik heb makkelijk praten zo vanuit Europa, maar het vergt toch altijd veel van me, en niet zozeer wat er gezegd wordt, maar hoe.

De corruptie en het wanbeleid van de overheid, en de overheden van de afgelopen 15 jaar, zijn namelijk echt verschrikkelijk en elke Zuid-Afrikaan heeft daar last van. Maar de één wel wat meer dan de ander. Deze mensen hebben er relatief weinig last van, maar ze zien zichzelf als slachtoffer. Ze hebben het over een reversed racism en ook dat is niet helemaal onwaar. Het werpt vragen op die ik niet met hen kan bespreken. Wanneer wordt positieve discriminatie ten behoeve van een noodzakelijke inhaalslag een nieuw regime van insluiting en uitsluiting? In hoeverre zijn mensen bereid hun voorrechten op te geven? Écht op te geven, in de verdeling van materiële zaken zoals grond en water, en abstractere zaken als scholing en banen?

Dus het is helemaal niet gek dat deze Boerenfamilie bang is, heel bang: dat hun land wordt afgepakt, dat ze vermoord worden, dat hun investeringen, hun harde werk en hun leven te grabbel gegooid worden. Er is een gerede kans dat dat gebeurt. Het harde werk en de levens van anderen waar zij van geprofiteerd hebben zien ze niet; de corrupte overheidsdienaar, de activist die het land van zijn voorvaderen terugeist, en de bedelaar die bij het stoplicht zijn hand ophoudt worden allemaal op één grote hoop van (zwart?) gevaar gegooid. "But we are not racists!" Natuurlijk.

Gelukkig waren we toen eindelijk bij het vliegveld en konden onze wegen scheiden met de noodzakelijke beleefdheden. We hebben in Durban de volgende dag maar heel veel goede dhall en vegetarische curry besteld
Met alle Britsigheid hier zijn Kenneth en Norma ADHDers - vind ik althans. Kenneth heeft in het leger gediend. Hij heeft zijn arm in het gips na een operatie en probeert dat de hele tijd te compenseren door koffers en parasollen voor ons heen en weer te sjouwen, hetgeen Norma bovenop de kast jaagt. En dat laat ze merken.

Ze zorgen enorm goed voor ons - een beetje te goed voor onze smaak. We hoeven maar iets te denken (en we zeggen het echt niet tegen elkaar, want we weten intussen allebei dat iedereen ons kan verstaan) en ze komen aanhollen met een parasol of een badhanddoek, hetgeen dan weer een aanleiding is om eindeloze rijen slechte grapjes te maken waar heel hard om gelachen moet worden.

Ook hierin vind ik het moeilijk me te positioneren. Ik ben een ongelooflijke egoïst als het op interactie aankomt - het liefst zit ik - als ik niet iets heel bijzonders aan het meemaken ben - erover te bloggen zonder iets tegen iemand te hoeven zeggen.

Maar mensen zijn hartelijk hier, écht hartelijk - binnen je eigen gemeenschap ben je niet alleen verantwoordelijk voor elkaar, maar ook voor elkaars zorgen en zorgzaamheid, en daar word je dan deel van, of je het nu wilt of niet. Norma heeft Nederlandse TV-shows op ons kabelpakket laten zetten en is werkelijk teleurgesteld dat we die niet hoeven te zien. Kenneth is hartverwarmend als hij vertelt over zijn hond, genaamd Lady, die de hele straat bewaakt en die hij met alles wat hij in zich heeft verzorgt. Maarja, ik houd niet van honden, dus kennismaken met Lady doe ik liever niet. Mmmm.

Wij genieten intussen van onze welverdiende dag rust van onze vakantie zonder ons al te veel aan de zorgzaamheid van onze hosts gelegen te laten liggen. Lekker selfish. Morgen naar Highflats en de township Umlazi. Dat wordt weer een potje stevig zorgen voor elkaar.