dinsdag 24 februari 2026

uMlazi

Gisteren was ik in uMlazi. Zolang ik hier in Durban kom, heeft die naam een vervelende bijklank. uMlazi is een gigantische township met afgetrapte hostels (arbeidsmigrantenverblijven) en een onafzienbare naast- en op-elkaar-stapeling van krakkemikkige éénkamerhuisjes. De township is opgedeeld in Secties, van A t/m DD, meer dan één keer het hele alfabet door. De secties en letters doen je meteen voelen dat het nog steeds een kamp is, geen woonplaats: een permanente staat van ontworteling. 

Townships en thuislanden zijn de meest zichtbare nalatenschappen van de koloniale tijd (1652-1948) en de instandhouding en intensivering daarvan tijdens de apartheid (1948-1994). Met behulp van de Glen Grey Act van 1894 werden zwarte families verplicht belasting te betalen voor het land waarop ze hun vee al eeuwen hadden laten grazen. De enige manier om die belastingen te "verdienen" was door te gaan werken in de mijnen en boerderijen van witte Zuid-Afrikanen. Met de Native Land Act van 1913 werd dat land voor zwarte mensen beperkt tot ruwweg 10% van het landoppervlak, vaak de meest afgelegen en onvruchtbare stukjes grond. Dat waren de zogenaamde "thuislanden" die alles behalve "thuiselijk" waren: overbevolking, geen voorzieningen, geen infrastructuur. 

Zwarte mannen werden het grootste gedeelte van het jaar gescheiden van hun families om te werken in mijnen, op Afrikaner boerderijen, in havens en fabrieken. Ze werkten in de steden, maar mochten er niet wonen. Aan de randen van alle Zuid-Afrikaanse steden vind je ruim 30 jaar na de afschaffing van de apartheid de hostels en krotjes waar ze wel mochten wonen: de townships. De township is nog steeds exclusief zwart gebied (zoals je ook townships exclusief voor Indiërs en zogenaamde "kleurlingen" had [en hebt]). Ik heb gisteren geen enkele andere witte gezien (terwijl ik die in Mageshen's Indiase township wel geregeld zag) en elke voorbijganger zette grote ogen op toen die me zag. Velen zeiden het ook: jij bent wit. Wat doe jij in godsnaam in uMlazi? Tja, ik heb er vrienden wonen. Ik realiseer me steeds meer hoe weinig witte Zuid-Afrikanen me dat na kunnen zeggen. 

Waar het tegenwoordig in Soweto (South Western Township) bij Johannesburg goed toeven kan zijn, met huizen met meerdere verdiepingen, scholen, theaters, winkels met luxegoederen en een functionerend verenigingsleven, is uMlazi nog steeds het afvalputje van Durban. Elektriciteit, riolering en waterleiding zijn beperkt tot een absoluut minimum, na zonsondergang kun je er niet over straat, straten, scholen en winkels zijn in slechte staat. In uMlazi woon je alleen als je echt nergens anders heen kan. Dat is meteen het grootste verschil met de apartheidstijd. Zwarte mensen die iets te makken hebben, kunnen nu (goddank) vertrekken zodra ze daar een mogelijkheid toe hebben. Maar alleen de verworpenen der aarde blijven dus achter. En dat voel je op straat. In 2011 had uMlazi meer dan 400.000 inwoners op 47 vierkante km (ter vergelijking: Amsterdam is 219 vierkante km).

Deze foto is van het internet gejoept maar het geeft een goede indruk hoe Skho en Dennis wonen. Ik wilde er zelf geen foto's van maken, ook al omdat het als witte vrouw niet leuk/verstandig is om met een telefoon te gaan lopen zwaaien en kiekjes te maken van mensen hun armoede. 

Als eigentijdse arbeidsmigrant pendelt Skho al haar hele leven tussen haar thuisland bij Highflats, waar ik al 15 jaar kom, en haar township uMlazi, waar ik - om bovengenoemde redenen - zelden kom. Maar gisteren had mezelf er uitgenodigd want na de geweldige boekpresentatie van afgelopen vrijdag, die Skho geïnitieerd had, wilden we ook gewoon tijd met elkaar kunnen doorbrengen. 

Ik zie er altijd tegenop om naar Skho's familie te gaan, omdat de materiële ongelijkheid in onze vriendschap zo groot voelt en er zoveel van me gevraagd en verwacht wordt: tournees, sponsors, hulp, cadeautjes, geld voor zieke familieleden, het houdt nooit op. En altijd kom ik er blij vandaan, omdat het zo gezellig en vreugdevol is, en we allemaal de hele middag bier kunnen drinken, kunnen lachen en kunnen dansen samen. 



En gisteren was het echt ontspannen. uMlazi is een shithole, maar bij Skho in haar kleine stenen tweekamerhuisje en dat van haar nicht is alles zo goed op orde, dat valt me echt op. Dat je er iets van kan maken, in zo'n omgeving. Iets om diep respect voor te hebben. 

Skho (in Sectie R) is niet de enige die in uMlazi woont. Dennis (in Sectie C) woont er ook. Ik wil iedere lezer vragen vooral dit blog over Dennis te lezen dat ik schreef in 2018 toen ik hem al jaren kende. De infuriating (daar is geen goed Nederlands equivalent voor) onrechtvaardigheid van de apartheid, hoe die levens verpestte, vernietigde en nog steeds levens verpest, zit vervat in Dennis' leven. Voor Dennis heb ik minstens zoveel respect als voor Skho: wat hij ondanks alle tegenslag en tegenwerking heeft bereikt en toch ook weer niet heeft kunnen bereiken. Het verlies van wat nooit heeft kunnen zijn. Het maakt me heel nederig.

Ik had Dennis ooit mijn boek beloofd, en nu is het er, dus ik wil dat hij het krijgt. Hij is één van de weinigen die het echt gaat lezen, denk ik. We waren zo blij elkaar te zien, en ik merkte dat het wat voor hem betekende: dat ik ervoor naar uMlazi kwam. Ook hier heeft de objectstatus van het boek een uitwerking. En ik merkte ook hoe ik op doorreis ben. Ik wip even langs en weg ben ik weer. Komende zaterdag al weer in Nederland...

Slenteren

Nu ik hier een dag of tien ben (met nog vijf dagen te gaan) voel ik hoe de vezels van de samenleving zich langzaam weer vervlechten met mijn eigen lichaam. Net als in Indonesië lopen mensen hier traag in de hitte (srèèt, srèèt noemen we dat daar), maar het slenteren is hier anders dan daar. Mijn lichaam spiegelt dat. Aan de manier waarop ik loop, voel ik waar ik ben. Dat denk ik althans. 

Ik vind het fijn om rond te lopen. Mijn heupen doen het weer uitstekend. Ik kan me richten op mijn omgeving in plaats van de moeite die het kost het ene been voor het andere te zetten. Als ik rondslenter kan ik alles in me opnemen. 

Mijn gastheer en -vrouwen verzekeren me dat het veilig is om rond te lopen en zo voel ik dat ook. Ik ben dat eigenlijk pas gaan doen na mijn langere verblijven hier vanaf 2011/2013. Louise en Jon waren beschermend toen ik als bleue Europeaan arriveerde in 2008; ze reden me overal heen in de auto. En Mageshen was nog beschermender toen we enkele maanden samenwoonden in 2009. Ik kwam nauwelijks buiten de deur zonder hem, niet zozeer omdat dat niet mocht ofzo, maar omdat we allebei aannamen dat dat te gevaarlijk is (of omdat het hem goed uitkwam dat wij dat allebei aannamen...).

Het valt wel mee met dat gevaar, weet ik sinds mijn latere bezoeken. Natuurlijk moet je altijd voorzichtig zijn, goed in de gaten houden welke andere mensen er in je omgeving rondlopen, niet met je telefoon of portemonnee gaan lopen zwaaien. Maar rondlopen kan in sommige delen van de stad best.

Geen wonder dat ik dat samenwonen al heel gauw zat werd, bedenk ik nu. Rondlopen hier geeft me (misschien juist door mijn Zuid-Afrikaanse ervaringen van vroeger) een gevoel van vrijheid. Bovendien is het veel makkelijker dan in Indonesië. In Yogya, Denpasar, Jakarta, Medan, zelfs Telukdalem in Zuid-Nias zijn alle stoepen veranderd in parkeerplaatsen voor auto's en straatverkopers. Hier in Durban heb je brede lege stoepen met hoge verkoelende bomen, en niet zelden een prachtig uitzicht. 


Maar leuker dan de mooie stoepen vind ik het rondslenteren in supermarkten. Ook in Nederland vind ik naar de winkel gaan vaak een uitje als ik een hele dag achter de computer zit. En in andere delen van de wereld voel ik waar ik ben. Dat komt door de geuren en geluiden als onmiddellijke indicatoren van plaats. Over het omroepsysteem is er de onmiskenbaar lokale popmuziek en de aanbiedingen in die net-niet-Australische Zuid-Afrikaanse twang. 

En in de winkel ruik je alle verschillende gepresenteerde goederen ter lokale consumptie: de stapels sausage en boerewors (dat zijn twee verschillende etenswaren), de zakken vol mosselen en garnalen, de shepherd's pies die net wat te lang in de verhitte vitrine liggen, de glimmende muffins, en de eindeloze rijen frisdranken.

Toen ik in 2008 net voor het eerst in Durban was aangekomen blogde ik over mijn zoektocht in de supermarkt naar bier. En over hoezeer supermarkten iets over een land en zijn consumptiepatronen zeggen. Ik herinnerde me dat blogje toen ik vandaag zin had in een glaasje witte wijn bij het eten vanavond. 

Maar nu heb je AI, waaraan je kunt vragen waar je op een zondag in Durban wijn kan kopen. Bij de Checkers (een soort Jumbo) kan dat meestal wel, zei AI. Nu wil het toeval dat er schuin tegenover mijn B&B, naast het verkooppunt voor semi-automatische wapens (jawel), een hele grote Checkers is. 

Alle Zuid-Afrikanen, ongeacht afkomst, zijn godvruchtige lieden: de gereformeerde Afrikaners, de anglicaanse Britten, de evangelische zwarte gemeenschappen, en de Indiërs die van alles kunnen zijn: hindoe, moslim of christen, en elk van die geloven met hele forse overtuiging, zo weet ik van mijn tijd toen ik hier een christelijk-Indiase bijna-schoonfamilie had. En ik doe nu alsof de geloofsovertuigingen raciaal bepaald zijn, maar dat is alleen tot op beperkte hoogte zo. Er zijn heus ook gereformeerde zwarten en evangelische Afrikaners.

In de Checkers bij mij aan de overkant komen veel Indiërs winkelen en aan hun kleding zie ik dat zij vooral moslims zijn. Ik hoor ook vaak de moskee. Dat vind ik fijn. Het is net als thuis in Lombok (Utrecht) en in Indonesie. Dus het voorbehoud dat de AI-bot al gemaakt had ("meestal") was niet voor niets. "Verkopen jullie ook wijn?", vroeg ik aan de Zoeloe-medewerker (duidelijk geen moslim) die vakken stond te vullen. "Neeeeeee", riep hij uit. "Hier is alles halaal". Maar er was een andere klant die me een drankenwinkel in de buurt kon aanraden en toen had ik een lekker wandelingetje over brede, schaduwrijke stoepen om mijn witte wijn een beetje te verdienen. Menselijk advies prefereer ik nog steeds boven AI-advies.

zondag 22 februari 2026

Lancering

En toen was het dan zo ver: na 15 jaar onderzoek en 4 jaar na de uitgave (Bloomsbury 2022), presenteerden we vrijdag in het Centre for Jazz and Popular Music van de University of KwaZulu-Natal (UKZN) in Durban, Zuid-Afrika, mijn boek Hearing Maskanda. Ik kan zeggen dat het een mijlpaal in mijn leven is, en dat de mensen met wie ik hier heb gewerkt en aan wie ik me heb gehecht die mijlpaal er met al hun inspanningen en bijdragen van gemaakt hebben. Dat raakt me diep.


Mijn bedoeling was om er iets gezamenlijks van te maken, dus het grootste deel van de tijd was er voor de muziek. Twee topklasse maskandamuzikanten (umaskandi in Zoeloe) boden aan te komen spelen. Zonder vergoeding. Dat accepteerde ik natuurlijk niet: musici moeten betaald worden voor hun werk. Dus ik had gelukkig al wat geld opzij gezet. 

Voor mijn onderzoek heb ik met zo'n tien umaskandi samengewerkt, maar het meest intensief was dat met Shiyani Ngcobo en Khombisile "S'kho" Miya, ook omdat ik met ze mocht musiceren. Shiyani gaf me gitaarlessen, en met S'kho en haar band repeteerde ik wekelijks in het Stable Theatre in Warwick Triangle op songs en danspassen. Uren werk zijn er ingegaan, van ons allemaal.  

Shiyani is al in 2011 overleden, hetzelfde jaar als mijn vader. S'kho is alive and kicking, al is dat niet altijd zo geweest. Maar de kunst wordt doorgegeven, Shiyani's kleindochter Lungile, een jaar of 25, is ook een umaskandi, en geen kleintje ook. 

Dus zo kwam het dat de hele avond gevuld werd met muziek van vrouwelijke umaskandi, en dat is bijzonder, want maskanda staat bekend als mannenmuziek: arbeidsmigranten, die in de mijnen en havens moesten werken, concipieerden het in hostels en onderweg. Dat is het narratief. In mijn boek stel ik dat narratief ter discussie op basis van wat vrouwelijke én mannelijke umaskandi (onder wie Bongani) me verteld hebben. Vrouwen waren vanaf het begin van het genre in de vroege twintigste eeuw al cruciaal, niet alleen als muzikale respondenten op deze mannenmuziek, maar ook als autonome  uitvoerders.

Dat is echter niet de kern van mijn boek. De belangrijkste boodschap die ik heb willen overbrengen is dat maskanda meer is dan wat we in Europa muziek noemen. Het is een klinkende, performatieve manier van leven, een zijnswijze, een middel om jezelf en anderen te helen, om verhalen en geschiedenissen te delen, kennis over te dragen over waardigheid, houding, standvastigheid. En het is een narrengenre: umaskandi nemen iedereen op de korrel met insider jokes, scherpe humor: gezagsdragers, vrienden en familie, het publiek. Maskanda kan ondermijnend en bevrijdend werken - daar heb ik een aantal voorbeelden van beschreven. 

Dus dat vertelde ik, in het Jazz Centre op vrijdagavond, aan de samengekomen umaskandi en hun familie, aan mijn collega's van de universiteit, de vrienden van vroeger die soms uren hadden gereden om me te ontmoeten. Dat het S'kho's idee was om dit evenement te organiseren en dat we hier allemaal bij elkaar gekomen waren om al die uren gezamenlijke kennisvorming te vieren. Met elkaar. Het boek had niet bestaan zonder één van de velen die aanwezig waren. 

Met Khoni (l.) en S'kho

Met Khanyisile Ngcobo (Shiyani's dochter) en Lungile Ngcobo (r.)

En ondanks alle twijfels die ik altijd heb gehad bij dit project, voelde ik dat het belangwekkend was dat ik dat allemaal zei, die avond. Dat een witte vrouw uit Europa al die tijd in maskanda had gestopt. Dat werd ook benoemd door aanwezigen aan wie ik een exemplaar van het boek gaf. 

Lungile Ngcobo



Lungile Ngcobo, de kleindochter van uBaba uShiyani, opende de avond, op de gitaar en in het kostuum van haar grootvader. Ze lijkt op hem, en op het podium heeft ze hetzelfde postuur en dezelfde mimiek als hij. En toch is ze volkomen eigen. Ze speelde één van zijn songs, maar op haar eigen manier. Muzikale creativiteit is iets wonderbaarlijks, en zo krachtig.


Met S'kho Miya

Khoni Miya



Nadat ik al mijn exemplaren van boeken aan collega's en vrienden had overgedragen met voorbereide bedankjes was het tijd om S'kho en Khoni op het podium te roepen. Zij hebben mij mijn Zoeloenaam gegeven: Nompilo.
S'kho heeft me een izibongo gegeven (een gepersonificeerde rappassage in Zoeloe met mijn hele familielijn erin). Khoni is een ongelooflijk dappere feminist die tastbare dingen heeft bereikt om vrouwen en vrouwelijke artiesten verder te helpen. Een hoogtepunt voor mij was haar organisatie van het Kushikisha Imbokodo Festival in het BAT-Centre in Durban in 2009. Helemaal door en voor vrouwen. Dat is hier geen vanzelfsprekendheid, en dan druk ik me mild uit.





S'kho in the lead



Mshini 

Pinky en Zandile

Zandile en Bonisiwe

Bonisiwe

Zandile

Pinky

En toen ging S'kho los, met haar band. Ze had me zover gekregen dat ik één liedje meezong. Ik wist het nog, van 17 jaar geleden, toen we het ook op het Kushikisha Imbokodo Festival hadden gezongen. Het gaf een waanzinnig gevoel om dat weer te doen. Het publiek juichte en ululeerde uitbunding. Khoni, tegen de 70,  kwam ook het podium op om mee te dansen. Het dak ging eraf. Het was een feestje. 





vrijdag 20 februari 2026

Zenuwen


Alles staat klaar voor de boekpresentatie vanmiddag. Over een uurtje Uber ik naar het Jazz Centre om de volgorde van het programma te bepalen en - niet te vergeten - met Skho's band te repeteren op een maskandaliedje waarin ik haar beloofd heb acte de présence te geven. Uit mijn comfort zone, weer in mijn Zoeloekostuum, net als tijdens het Kushikisha Imbokodo Festival in augustis 2009, bijna 17 jaar geleden. 

Optreden met Skho Miya, augustus 2009, BAT-Centre, Durban

Ik heb voor iedereen die er is een bedankje klaar. Het maakt me, meer dan het ene liedje meezingen, zenuwachtig: vergeet ik niemand? Maar dan denk ik aan hoe ik minder dan 8 maanden geleden in Zuid-Nias was en iets kwam terugbrengen (geluidsopnamen van bijna 100 jaar geleden) dat voor de gemeenschap nog veel belangwekkender was. En ik moest het in het Indonesisch doen! Nu kan ik me verschuilen in het oh zo makkelijke Engels. Zoeloe heb ik eenvoudigweg nooit voldoende beheerst voor dit soort gelegenheden. 

Het wordt een speciale, emotionele dag vandaag, vertelt iedereen me. Maar vooral ontzettend vreugdevol, en samen.

dinsdag 17 februari 2026

Ding

Ik had me niet gerealiseerd hoe belangrijk een boek is. Een boek niet als pdf met een al dan niet belangwekkende inhoud, of als omslag op de website van een uitgever, maar als ding, als iets wat je in je handen houdt en dan overhandigt of overhandigd krijgt. Waar je in kan bladeren, een opdracht in kunt schrijven en aantekeningen in kunt maken.


Met Bongani Nkwanyana

Nu ik exemplaren overhandig aan degenen op wier kennis de inhoud van dit boek rust voel ik de objectstatus ervan. Het staat voor vele, veel grotere betekenissen, voor de vele lagen van interactie met alle inspiratie, wrijvingen, angsten, twijfels en inzichten, en vooral veel vreugde en gezamenlijkheid die in die interactie besloten liggen. Daarmee krijgt het ding een spirituele dimensie, wordt het een wezen, reikt het eigenlijk voorbij zijn objectstatus in de westerse zin van het woord. 

Mijn fantastische tante Eva vertelde dat ze als kind in een boekenminnende familie af en toe stiekem bladerde in de boeken van haar ouders, en als het boek dan heel mooi en heel oud was, en heel lekker rook, dan likte ze de pagina's met haar tong om het boek te proeven. Ook in haar (en dus mijn) familie zijn boeken een beetje heilig.

Met Ignatia Madalane en Bongani Mkhonza

Zoals gezegd heb ik mijn twijfels bij het boek. Ik heb er lang aan gewerkt (15 jaar) en het heeft daarna nog eens 4 jaar geduurd voor het nu in de openbaarheid komt. Die lange tijd alleen al draagt iets belangwekkends met zich mee, tegen wil en dank. Als mijn Zuid-Afrikaanse collega’s en vrienden het aannemen is dat met een soort eerbied die me ongemakkelijk maakt maar ook blij: het boek betekent iets. Het maakt een verschil, misschien niet in de internationale bekendheid van maskanda (wat veel muzikanten hopen), maar wel in hoe Zuid-Afrikanen zelf naar dit gemarginaliseerde genre kijken, hoe ze het waarderen. Het boek legitimeert vreugde en trots. En dat is meteen de ongemakkelijkheid: ik heb met het boek witte Europese goedkeuring gegeven aan Zoeloe maskanda. Dat zou niet moeten hoeven. Maar het is wel een deel van de betekenis.  

Met S'kho Miya

Perspectief

Zaterdag een braai in de tuin van Grant en Angus met een enorme biefstuk op het vuur. We aten samen met collega’s van Wits (The University of the Witwatersrand) onder de oude abrikozenboom voor “mijn” cottage waar ik altijd logeer als ik hier ben. 



’s Ochtends word ik wakker van de geluiden van hadeda’s (ibissen) en kwêvoëls (go-away birds – ze waarschuwen voor roofdieren). Beide namen zijn onomatopeeën, dus je hebt een idee. Toch vind ik dat heel fijn wakker worden. Geuren en geluiden als zintuigelijke signalen van plaats.

Zondag reden Igz en ik in haar autootje naar Pretoria waar haar collega Bongani Mkhonza woont. Hij en Igz hebben samen veel van de liedteksten van maskandaliederen van Zoeloe naar Engels vertaald, en ze hebben me verteld hoe moeilijk, maar ook hoe mooi dat was: diepe Zoeloe dichtkunst is door symboliek en ritme heel moeilijk te begrijpen voor niet-Zoeloesprekers. Ze hebben er iets prachtigs van gemaakt, en ik wilde ze bedanken door ze een boek te geven. 


We waren bij Bongani thuis uitgenodigd. Hij is kunsthistoricus aan de Universiteit van Zuid-Afrika in Pretoria/Tswane en hij heeft een grote collectie grammofoonplaten met Afrikaanse muziek. We hebben de hele middag maskanda gedraaid. Igz en hij hadden elkaar al veel te lang niet gezien en waren zo blij. Zijn gezin maakte een heerlijk maal voor ons: bonensalade, aardappelsalade, bladsalade, gegrilde groenten, sappige kip van de braai, gevuld met paprika. We werden ongelooflijk verwend. 

Maandagmorgen ging ik Uberen (dat is een werkwoord hier) naar het Johannesburg Theatre waar ik ontbeet met maskandi Bongani Nkwanyana. 


Er moet een boek geschreven worden over Bongani. Ik heb eerder over hem geblogd. De hele geschiedenis van Zuid-Afrika zit in zijn leven: hij is halverwege de 60, dus hij heeft de helft van zijn leven in de apartheid doorgebracht. Begonnen als schoonmaker in een restaurant, op zijn zestiende zijn eerste kind (dat hij inmiddels weer verloren heeft), hij knoopte de eindjes aan elkaar met zijn muziek, eindeloos gitaar spelen, kreeg een voet tussen de deur in de muziekindustrie, werd intussen heimelijk getraind in Lusaka (Zambia) bij de gewapende tak van het ANC (uMkhonto weSizwe). 

En toen kwam de omwenteling en de-bijna-burgeroorlog in 1994. Al in 1996 zei Bongani tegen het ANC dat ze de verkeerde kant op gingen, met hun mismanagement en zelfverrijking. Hij vertrok (“dit is niet waar we voor gevochten hebben”), onder grote consternatie, en ging maskandamuziek maken waar hij de nieuwe machthebbers genadeloos mee op de korrel nam. 

Maar de IFP (de populistische partij van Zoeloekoning Buthulezi) was ook niets voor hem. Dus wat deed hij toen? Hij sloot zich aan bij de DA (Democratic Alliance). Oei-oei-oei-oei-oei. Het is heus een fatsoenlijke partij nu, een soort D66, overlopend van blanke centrumrechtse redelijkheid, maar de partij kwam wel ooit voort uit de Nasionale Party, de enige partij van het apartheidsregime. Je kunt je voorstellen dat hem dat niet in dank werd afgenomen. Intussen bleef hij muziek maken, en kritische teksten schrijven. 

En nu is hij gemeenteraadslid voor de DA in Johannesburg, in de oppositie. Naar eigen zeggen heeft hij het vooral druk met ambtenaren wijzen op hun taken, die ze niet uitvoeren. Hij staat niet alleen in die observatie. Na jaren van corruptie onder Jacob Zuma is Zuid-Afrika er niet goed aan toe, nog minder goed dan toen ik hier vaak kwam in 2008 en 2009 en toen ik ook al blogde over de ghosts that haunt this country.

Er zijn infrastructurele problemen, zoals slechte wegen en een haperende water- en elektriciteitsvoorziening. Ook in het superwelvarende Melville hadden we wekenlang (en ik dus dagenlang) geen water. Niet door de droogte, maar door kapotte leidingen. Gelukkig hebben Grant en Angus een watertank zodat we minidouchjes konden nemen. 

Maar het ergste is de enorme criminaliteit: de moorden, de overvallen, de onveiligheid, dat je niet zomaar de straat op kan. Daar zijn vooral zwarte mensen het slachtoffer van, al blijven witten niet gespaard. De politie staat machteloos. Ramaphosa overweegt het leger in te zetten. 

En in direct verband daarmee (zowel als oorzaak als gevolg) staat de gigantische werkloosheid: 32% van de Zuid-Afrikanen is werkloos (wederom vooral zwarte Zuid-Afrikanen). En wat erger is: 60% van Zuid-Afrikaanse jongeren is werkloos. Zestig procent! De mensen die het land zouden moeten bouwen en de economie zouden moeten laten draaien zitten thuis duimen te draaien, of… vervallen in criminaliteit. De oudere Zuid-Afrikanen zitten begrijpelijkerwijs op hun baantje alsof hun leven ervan afhangt en gunnen de andere schaarse baantjes alleen aan naasten: een diepe cultuur van corruptie, overal, in alle lagen van de maatschappij.  

Dit is niet het propagandapraatje van de DA dat Bongani me voorschotelde. Iedere Zuid-Afrikaan, van welke kleur dan ook, klaagt erover en benoemt het. Veel van mijn vrienden willen liever niet hogerop in hun organisatie, want dan moet je ook corrupt worden om je er staande te houden. Mensen met skills blijven dus liever laag in de organisatiestructuur zitten. Het helpt allemaal niet. 

Gek genoeg maakt dit ontegenzeggelijke gebrek aan perspectief dat ik mijn eigen problemen meer in perspectief ga zien: de bangige Europeanen met hun hachje tussen Trump, Poetin en Xi in. Het lijkt allemaal ver weg. Er zijn hier andere urgente problemen. Dat geluid hoorde ik ook vanuit Zuid-Afrika en Indonesië tijdens de coronacrisis: nu (2020) is er een ziekte waar witte, noordelijk-halfrondmensen ook bang voor moeten zijn, en dan moeten we plotseling in wereldwijde lockdown. Alsof je buiten dat fijne Europese reservaat niet net zo makkelijk aan iets anders besmettelijks dood kan gaan: AIDS en/of TB – we noemen maar een dwarsstraat. Of malaria. Niet dat ik tegen die lockdowns was, integendeel, maar het plaatst mijn voorkeur wel in perspectief.  

zaterdag 14 februari 2026

Full circle

Veel vreugde in mijn leven rust op vriendschappen. Dat is in Nederland zo, en hier in Zuid-Afrika ook.

Ik wist zelf niet precies waarom ik weer naar Zuid-Afrika wilde, na bijna zeven jaar afwezigheid (algehele lockdowns, mijn eigenste long-covidlockdown en verplichtingen in Indonesië – redenen genoeg, maar toch). Ik wilde vooral mijn vrienden weer eens zien. 

Dus ik boekte maanden geleden al een vlucht, bedacht toen dat het misschien leuk was om exemplaren van mijn boek te kunnen geven aan de mensen op wier kennis en kunde (en vaak ook kassa) de inhoud van het boek rust: de maskandamuzikanten, de tolken, de festivalorganisatoren, de producers, mijn collega’s aan de Universiteit van KwaZulu-Natal (UKZN).

Dus ik bestelde een doosje bij mijn uitgever en liet het naar een vriend in Johannesburg sturen. 

En toen kwamen er wat familieomstandigheden op de proppen, dus het leek erop alsof ik helemaal niet zou gaan. En ik had nog niemand hier verteld dat ik er aankwam.

En toen ik toch kon vertrekken en bericht gaf dat ik er aankwam, bleken ook de mensen die ik de afgelopen zeven jaar nauwelijks gesproken heb nog te weten wie ik was. En de warmte van het onthaal raakt me. Afrikaanse gastvrijheid noemen ze dat hier. En in tegenstelling tot het nogal gepolitiseerde begrip ubuntu is die gastvrijheid een deugd waar iedere Zuid-Afrikaan - jong, oud, m/v/x, en van welke kleur dan ook – een vanzelfsprekende eer in schept en die eer altijd leuk maakt.

Met S'kho heb ik over de jaren heen intensief contact gehouden. S'kho en ik noemen elkaar "Zus" zoals mijn broer en ik elkaar ook "Zus" en "Broer" noemen. S'kho en ik noemen mijn moeder "onze moeder" omdat ze S'kho en haar familie in 2019 heeft opgezocht. Voor S’kho zijn we familie. Voor mij ook intussen, denk ik. 

Al videobellend gaf ze me een college over het belang van mijn boek. We zijn ongeveer even oud, wat betekent dat zij is opgegroeid tijdens de Apartheid. Ze heeft nauwelijks opleiding kunnen genieten en ondanks de precaire omstandigheden waarin ze leeft, en waarover ik vaak geblogd heb, heeft ze een soevereiniteit die ik, met al mijn opleiding en privileges, niet heb. Misschien komt dat omdat ze – veel beter dan ik – weet wat belangrijk is en wat niet. 

Ik heb vanaf het begin van mijn onderzoek in 2008 twijfels gehad over het boek. Wie ben ik om als witte vrouw uit Europa iets zinnigs te zeggen over een Afrikaanse muziekpraktijk die door zwarte mensen wordt gemaakt, ontwikkeld en uitgevoerd in niet zelden de meest precaire sociaal-economische omstandigheden. Ik heb die twijfel verwerkt in het boek en er op gereflecteerd in mijn analyses, maar ook dat is een privilege. De substantie van het boek is van de musici, niet van mij.

Maar S’kho denkt daar heel anders over. “Het is ongelooflijk belangrijk dat je een boek geschreven hebt over maskanda” zei ze vanochtend. “Je hebt iets geweldigs gedaan. Het is belangrijk dat jouw boek, jouw naam, jouw werk hier bekend is, dat de mensen híer weten dat je dit gedaan hebt.” “Maar het is vooral jouw werk” zei ik. “Jouw uitvoeringen, jouw muziek, jouw kennis” “Neehoor” zei S’kho vastbesloten. “Het was jouw idee om een boek te schrijven, en het zijn jouw ideeën in het boek. En we moeten vieren dat het er nu is.”

En als S’kho iets in haar hoofd heeft, dan gebeurt het, zoveel weet ik intussen ook. We spraken een prijs af, ze is een band bij elkaar aan het zoeken. Ik kon via collega’s van de universiteit het Centre for Jazz and Popular Music (CJPM) van UKZN reserveren. Iedereen wist nog wie ik ben. Iedereen wilde me helpen. Ik krijg het voor een vriendenprijsje op een vrijdagavond, dan kan zoveel mogelijk geld naar de musici gaan. Ze maken een poster voor me en stuurden me een lijst met mensen die ik in elk geval moet uitnodigen. 

Zo kwam er binnen een halve dag een heuse boekpresentatie tot stand. 

Het Centre for Jazz and Popular Music… Daar zwaaide mijn toenmalige geliefde Mageshen destijds zijn scepter. Ik kwam er bijna dagelijks, de spreekwoordelijke extension of my living room. En wat belangrijker is: in het CJPM ontmoette ik S’kho voor het eerst, in 2008, toen ze er optrad met haar band, het begin van een jarenlange samenwerking en vriendschap. 

Wat een verleden heb ik hier liggen, en hoe wonderbaarlijk is het om nu weer door dat verleden aangeraakt te worden. Of beter gezegd: wat een waanzinnig gevoel om na al die jaren afwezigheid in zo’n gespreid bedje te vallen, in een warm sociaal netwerk dat er gewoon nog is. “Welcome home”, zegt iedereen.