zondag 22 februari 2026

Lancering

En toen was het dan zo ver: na 15 jaar onderzoek en 4 jaar na de uitgave (Bloomsbury 2022), presenteerden we vrijdag in het Centre for Jazz and Popular Music van de University of KwaZulu-Natal (UKZN) in Durban, Zuid-Afrika, mijn boek Hearing Maskanda. Ik kan zeggen dat het een mijlpaal in mijn leven is, en dat de mensen met wie ik hier heb gewerkt en aan wie ik me heb gehecht die mijlpaal er met al hun inspanningen en bijdragen van gemaakt hebben. Dat raakt me diep.


Mijn bedoeling was om er iets gezamenlijks van te maken, dus het grootste deel van de tijd was er voor de muziek. Twee topklasse maskandamuzikanten (umaskandi in Zoeloe) boden aan te komen spelen. Zonder vergoeding. Dat accepteerde ik natuurlijk niet: musici moeten betaald worden voor hun werk. Dus ik had gelukkig al wat geld opzij gezet. 

Voor mijn onderzoek heb ik met zo'n tien umaskandi samengewerkt, maar het meest intensief was dat met Shiyani Ngcobo en Khombisile "S'kho" Miya, ook omdat ik met ze mocht musiceren. Shiyani gaf me gitaarlessen, en met S'kho en haar band repeteerde ik wekelijks in het Stable Theatre in Warwick Triangle op songs en danspassen. Uren werk zijn er ingegaan, van ons allemaal.  

Shiyani is al in 2011 overleden, hetzelfde jaar als mijn vader. S'kho is alive and kicking, al is dat niet altijd zo geweest. Maar de kunst wordt doorgegeven, Shiyani's kleindochter Lungile, een jaar of 25, is ook een umaskandi, en geen kleintje ook. 

Dus zo kwam het dat de hele avond gevuld werd met muziek van vrouwelijke umaskandi, en dat is bijzonder, want maskanda staat bekend als mannenmuziek: arbeidsmigranten, die in de mijnen en havens moesten werken, concipieerden het in hostels en onderweg. Dat is het narratief. In mijn boek stel ik dat narratief ter discussie op basis van wat vrouwelijke én mannelijke umaskandi (onder wie Bongani) me verteld hebben. Vrouwen waren vanaf het begin van het genre in de vroege twintigste eeuw al cruciaal, niet alleen als muzikale respondenten op deze mannenmuziek, maar ook als autonome  uitvoerders.

Dat is echter niet de kern van mijn boek. De belangrijkste boodschap die ik heb willen overbrengen is dat maskanda meer is dan wat we in Europa muziek noemen. Het is een klinkende, performatieve manier van leven, een zijnswijze, een middel om jezelf en anderen te helen, om verhalen en geschiedenissen te delen, kennis over te dragen over waardigheid, houding, standvastigheid. En het is een narrengenre: umaskandi nemen iedereen op de korrel met insider jokes, scherpe humor: gezagsdragers, vrienden en familie, het publiek. Maskanda kan ondermijnend en bevrijdend werken - daar heb ik een aantal voorbeelden van beschreven. 

Dus dat vertelde ik, in het Jazz Centre op vrijdagavond, aan de samengekomen umaskandi en hun familie, aan mijn collega's van de universiteit, de vrienden van vroeger die soms uren hadden gereden om me te ontmoeten. Dat het S'kho's idee was om dit evenement te organiseren en dat we hier allemaal bij elkaar gekomen waren om al die uren gezamenlijke kennisvorming te vieren. Met elkaar. Het boek had niet bestaan zonder één van de velen die aanwezig waren. 

Met Khoni (l.) en S'kho

Met Khanyisile Ngcobo (Shiyani's dochter) en Lungile Ngcobo (r.)

En ondanks alle twijfels die ik altijd heb gehad bij dit project, voelde ik dat het belangwekkend was dat ik dat allemaal zei, die avond. Dat een witte vrouw uit Europa al die tijd in maskanda had gestopt. Dat werd ook benoemd door aanwezigen aan wie ik een exemplaar van het boek gaf. 

Lungile Ngcobo



Lungile Ngcobo, de kleindochter van uBaba uShiyani, opende de avond, op de gitaar en in het kostuum van haar grootvader. Ze lijkt op hem, en op het podium heeft ze hetzelfde postuur en dezelfde mimiek als hij. En toch is ze volkomen eigen. Ze speelde één van zijn songs, maar op haar eigen manier. Muzikale creativiteit is iets wonderbaarlijks, en zo krachtig.


Met S'kho Miya

Khoni Miya



Nadat ik al mijn exemplaren van boeken aan collega's en vrienden had overgedragen met voorbereide bedankjes was het tijd om S'kho en Khoni op het podium te roepen. Zij hebben mij mijn Zoeloenaam gegeven: Nompilo.
S'kho heeft me een izibongo gegeven (een gepersonificeerde rappassage in Zoeloe met mijn hele familielijn erin). Khoni is een ongelooflijk dappere feminist die tastbare dingen heeft bereikt om vrouwen en vrouwelijke artiesten verder te helpen. Een hoogtepunt voor mij was haar organisatie van het Kushikisha Imbokodo Festival in het BAT-Centre in Durban in 2009. Helemaal door en voor vrouwen. Dat is hier geen vanzelfsprekendheid, en dan druk ik me mild uit.





S'kho in the lead



Mshini 

Pinky en Zandile

Zandile en Bonisiwe

Bonisiwe

Zandile

Pinky

En toen ging S'kho los, met haar band. Ze had me zover gekregen dat ik één liedje meezong. Ik wist het nog, van 17 jaar geleden, toen we het ook op het Kushikisha Imbokodo Festival hadden gezongen. Het gaf een waanzinnig gevoel om dat weer te doen. Het publiek juichte en ululeerde uitbunding. Khoni, tegen de 70,  kwam ook het podium op om mee te dansen. Het dak ging eraf. Het was een feestje. 





vrijdag 20 februari 2026

Zenuwen


Alles staat klaar voor de boekpresentatie vanmiddag. Over een uurtje Uber ik naar het Jazz Centre om de volgorde van het programma te bepalen en - niet te vergeten - met Skho's band te repeteren op een maskandaliedje waarin ik haar beloofd heb acte de présence te geven. Uit mijn comfort zone, weer in mijn Zoeloekostuum, net als tijdens het Kushikisha Imbokodo Festival in augustis 2009, bijna 17 jaar geleden. 

Optreden met Skho Miya, augustus 2009, BAT-Centre, Durban

Ik heb voor iedereen die er is een bedankje klaar. Het maakt me, meer dan het ene liedje meezingen, zenuwachtig: vergeet ik niemand? Maar dan denk ik aan hoe ik minder dan 8 maanden geleden in Zuid-Nias was en iets kwam terugbrengen (geluidsopnamen van bijna 100 jaar geleden) dat voor de gemeenschap nog veel belangwekkender was. En ik moest het in het Indonesisch doen! Nu kan ik me verschuilen in het oh zo makkelijke Engels. Zoeloe heb ik eenvoudigweg nooit voldoende beheerst voor dit soort gelegenheden. 

Het wordt een speciale, emotionele dag vandaag, vertelt iedereen me. Maar vooral ontzettend vreugdevol, en samen.

dinsdag 17 februari 2026

Ding

Ik had me niet gerealiseerd hoe belangrijk een boek is. Een boek niet als pdf met een al dan niet belangwekkende inhoud, of als omslag op de website van een uitgever, maar als ding, als iets wat je in je handen houdt en dan overhandigt of overhandigd krijgt. Waar je in kan bladeren, een opdracht in kunt schrijven en aantekeningen in kunt maken.


Met Bongani Nkwanyana

Nu ik exemplaren overhandig aan degenen op wier kennis de inhoud van dit boek rust voel ik de objectstatus ervan. Het staat voor vele, veel grotere betekenissen, voor de vele lagen van interactie met alle inspiratie, wrijvingen, angsten, twijfels en inzichten, en vooral veel vreugde en gezamenlijkheid die in die interactie besloten liggen. Daarmee krijgt het ding een spirituele dimensie, wordt het een wezen, reikt het eigenlijk voorbij zijn objectstatus in de westerse zin van het woord. 

Mijn fantastische tante Eva vertelde dat ze als kind in een boekenminnende familie af en toe stiekem bladerde in de boeken van haar ouders, en als het boek dan heel mooi en heel oud was, en heel lekker rook, dan likte ze de pagina's met haar tong om het boek te proeven. Ook in haar (en dus mijn) familie zijn boeken een beetje heilig.

Met Ignatia Madalane en Bongani Mkhonza

Zoals gezegd heb ik mijn twijfels bij het boek. Ik heb er lang aan gewerkt (15 jaar) en het heeft daarna nog eens 4 jaar geduurd voor het nu in de openbaarheid komt. Die lange tijd alleen al draagt iets belangwekkends met zich mee, tegen wil en dank. Als mijn Zuid-Afrikaanse collega’s en vrienden het aannemen is dat met een soort eerbied die me ongemakkelijk maakt maar ook blij: het boek betekent iets. Het maakt een verschil, misschien niet in de internationale bekendheid van maskanda (wat veel muzikanten hopen), maar wel in hoe Zuid-Afrikanen zelf naar dit gemarginaliseerde genre kijken, hoe ze het waarderen. Het boek legitimeert vreugde en trots. En dat is meteen de ongemakkelijkheid: ik heb met het boek witte Europese goedkeuring gegeven aan Zoeloe maskanda. Dat zou niet moeten hoeven. Maar het is wel een deel van de betekenis.  

Met S'kho Miya

Perspectief

Zaterdag een braai in de tuin van Grant en Angus met een enorme biefstuk op het vuur. We aten samen met collega’s van Wits (The University of the Witwatersrand) onder de oude abrikozenboom voor “mijn” cottage waar ik altijd logeer als ik hier ben. 



’s Ochtends word ik wakker van de geluiden van hadeda’s (ibissen) en kwêvoëls (go-away birds – ze waarschuwen voor roofdieren). Beide namen zijn onomatopeeën, dus je hebt een idee. Toch vind ik dat heel fijn wakker worden. Geuren en geluiden als zintuigelijke signalen van plaats.

Zondag reden Igz en ik in haar autootje naar Pretoria waar haar collega Bongani Mkhonza woont. Hij en Igz hebben samen veel van de liedteksten van maskandaliederen van Zoeloe naar Engels vertaald, en ze hebben me verteld hoe moeilijk, maar ook hoe mooi dat was: diepe Zoeloe dichtkunst is door symboliek en ritme heel moeilijk te begrijpen voor niet-Zoeloesprekers. Ze hebben er iets prachtigs van gemaakt, en ik wilde ze bedanken door ze een boek te geven. 


We waren bij Bongani thuis uitgenodigd. Hij is kunsthistoricus aan de Universiteit van Zuid-Afrika in Pretoria/Tswane en hij heeft een grote collectie grammofoonplaten met Afrikaanse muziek. We hebben de hele middag maskanda gedraaid. Igz en hij hadden elkaar al veel te lang niet gezien en waren zo blij. Zijn gezin maakte een heerlijk maal voor ons: bonensalade, aardappelsalade, bladsalade, gegrilde groenten, sappige kip van de braai, gevuld met paprika. We werden ongelooflijk verwend. 

Maandagmorgen ging ik Uberen (dat is een werkwoord hier) naar het Johannesburg Theatre waar ik ontbeet met maskandi Bongani Nkwanyana. 


Er moet een boek geschreven worden over Bongani. Ik heb eerder over hem geblogd. De hele geschiedenis van Zuid-Afrika zit in zijn leven: hij is halverwege de 60, dus hij heeft de helft van zijn leven in de apartheid doorgebracht. Begonnen als schoonmaker in een restaurant, op zijn zestiende zijn eerste kind (dat hij inmiddels weer verloren heeft), hij knoopte de eindjes aan elkaar met zijn muziek, eindeloos gitaar spelen, kreeg een voet tussen de deur in de muziekindustrie, werd intussen heimelijk getraind in Lusaka (Zambia) bij de gewapende tak van het ANC (uMkhonto weSizwe). 

En toen kwam de omwenteling en de-bijna-burgeroorlog in 1994. Al in 1996 zei Bongani tegen het ANC dat ze de verkeerde kant op gingen, met hun mismanagement en zelfverrijking. Hij vertrok (“dit is niet waar we voor gevochten hebben”), onder grote consternatie, en ging maskandamuziek maken waar hij de nieuwe machthebbers genadeloos mee op de korrel nam. 

Maar de IFP (de populistische partij van Zoeloekoning Buthulezi) was ook niets voor hem. Dus wat deed hij toen? Hij sloot zich aan bij de DA (Democratic Alliance). Oei-oei-oei-oei-oei. Het is heus een fatsoenlijke partij nu, een soort D66, overlopend van blanke centrumrechtse redelijkheid, maar de partij kwam wel ooit voort uit de Nasionale Party, de enige partij van het apartheidsregime. Je kunt je voorstellen dat hem dat niet in dank werd afgenomen. Intussen bleef hij muziek maken, en kritische teksten schrijven. 

En nu is hij gemeenteraadslid voor de DA in Johannesburg, in de oppositie. Naar eigen zeggen heeft hij het vooral druk met ambtenaren wijzen op hun taken, die ze niet uitvoeren. Hij staat niet alleen in die observatie. Na jaren van corruptie onder Jacob Zuma is Zuid-Afrika er niet goed aan toe, nog minder goed dan toen ik hier vaak kwam in 2008 en 2009 en toen ik ook al blogde over de ghosts that haunt this country.

Er zijn infrastructurele problemen, zoals slechte wegen en een haperende water- en elektriciteitsvoorziening. Ook in het superwelvarende Melville hadden we wekenlang (en ik dus dagenlang) geen water. Niet door de droogte, maar door kapotte leidingen. Gelukkig hebben Grant en Angus een watertank zodat we minidouchjes konden nemen. 

Maar het ergste is de enorme criminaliteit: de moorden, de overvallen, de onveiligheid, dat je niet zomaar de straat op kan. Daar zijn vooral zwarte mensen het slachtoffer van, al blijven witten niet gespaard. De politie staat machteloos. Ramaphosa overweegt het leger in te zetten. 

En in direct verband daarmee (zowel als oorzaak als gevolg) staat de gigantische werkloosheid: 32% van de Zuid-Afrikanen is werkloos (wederom vooral zwarte Zuid-Afrikanen). En wat erger is: 60% van Zuid-Afrikaanse jongeren is werkloos. Zestig procent! De mensen die het land zouden moeten bouwen en de economie zouden moeten laten draaien zitten thuis duimen te draaien, of… vervallen in criminaliteit. De oudere Zuid-Afrikanen zitten begrijpelijkerwijs op hun baantje alsof hun leven ervan afhangt en gunnen de andere schaarse baantjes alleen aan naasten: een diepe cultuur van corruptie, overal, in alle lagen van de maatschappij.  

Dit is niet het propagandapraatje van de DA dat Bongani me voorschotelde. Iedere Zuid-Afrikaan, van welke kleur dan ook, klaagt erover en benoemt het. Veel van mijn vrienden willen liever niet hogerop in hun organisatie, want dan moet je ook corrupt worden om je er staande te houden. Mensen met skills blijven dus liever laag in de organisatiestructuur zitten. Het helpt allemaal niet. 

Gek genoeg maakt dit ontegenzeggelijke gebrek aan perspectief dat ik mijn eigen problemen meer in perspectief ga zien: de bangige Europeanen met hun hachje tussen Trump, Poetin en Xi in. Het lijkt allemaal ver weg. Er zijn hier andere urgente problemen. Dat geluid hoorde ik ook vanuit Zuid-Afrika en Indonesië tijdens de coronacrisis: nu (2020) is er een ziekte waar witte, noordelijk-halfrondmensen ook bang voor moeten zijn, en dan moeten we plotseling in wereldwijde lockdown. Alsof je buiten dat fijne Europese reservaat niet net zo makkelijk aan iets anders besmettelijks dood kan gaan: AIDS en/of TB – we noemen maar een dwarsstraat. Of malaria. Niet dat ik tegen die lockdowns was, integendeel, maar het plaatst mijn voorkeur wel in perspectief.  

zaterdag 14 februari 2026

Full circle

Veel vreugde in mijn leven rust op vriendschappen. Dat is in Nederland zo, en hier in Zuid-Afrika ook.

Ik wist zelf niet precies waarom ik weer naar Zuid-Afrika wilde, na bijna zeven jaar afwezigheid (algehele lockdowns, mijn eigenste long-covidlockdown en verplichtingen in Indonesië – redenen genoeg, maar toch). Ik wilde vooral mijn vrienden weer eens zien. 

Dus ik boekte maanden geleden al een vlucht, bedacht toen dat het misschien leuk was om exemplaren van mijn boek te kunnen geven aan de mensen op wier kennis en kunde (en vaak ook kassa) de inhoud van het boek rust: de maskandamuzikanten, de tolken, de festivalorganisatoren, de producers, mijn collega’s aan de Universiteit van KwaZulu-Natal (UKZN).

Dus ik bestelde een doosje bij mijn uitgever en liet het naar een vriend in Johannesburg sturen. 

En toen kwamen er wat familieomstandigheden op de proppen, dus het leek erop alsof ik helemaal niet zou gaan. En ik had nog niemand hier verteld dat ik er aankwam.

En toen ik toch kon vertrekken en bericht gaf dat ik er aankwam, bleken ook de mensen die ik de afgelopen zeven jaar nauwelijks gesproken heb nog te weten wie ik was. En de warmte van het onthaal raakt me. Afrikaanse gastvrijheid noemen ze dat hier. En in tegenstelling tot het nogal gepolitiseerde begrip ubuntu is die gastvrijheid een deugd waar iedere Zuid-Afrikaan - jong, oud, m/v/x, en van welke kleur dan ook – een vanzelfsprekende eer in schept en die eer altijd leuk maakt.

Met S'kho heb ik over de jaren heen intensief contact gehouden. S'kho en ik noemen elkaar "Zus" zoals mijn broer en ik elkaar ook "Zus" en "Broer" noemen. S'kho en ik noemen mijn moeder "onze moeder" omdat ze S'kho en haar familie in 2019 heeft opgezocht. Voor S’kho zijn we familie. Voor mij ook intussen, denk ik. 

Al videobellend gaf ze me een college over het belang van mijn boek. We zijn ongeveer even oud, wat betekent dat zij is opgegroeid tijdens de Apartheid. Ze heeft nauwelijks opleiding kunnen genieten en ondanks de precaire omstandigheden waarin ze leeft, en waarover ik vaak geblogd heb, heeft ze een soevereiniteit die ik, met al mijn opleiding en privileges, niet heb. Misschien komt dat omdat ze – veel beter dan ik – weet wat belangrijk is en wat niet. 

Ik heb vanaf het begin van mijn onderzoek in 2008 twijfels gehad over het boek. Wie ben ik om als witte vrouw uit Europa iets zinnigs te zeggen over een Afrikaanse muziekpraktijk die door zwarte mensen wordt gemaakt, ontwikkeld en uitgevoerd in niet zelden de meest precaire sociaal-economische omstandigheden. Ik heb die twijfel verwerkt in het boek en er op gereflecteerd in mijn analyses, maar ook dat is een privilege. De substantie van het boek is van de musici, niet van mij.

Maar S’kho denkt daar heel anders over. “Het is ongelooflijk belangrijk dat je een boek geschreven hebt over maskanda” zei ze vanochtend. “Je hebt iets geweldigs gedaan. Het is belangrijk dat jouw boek, jouw naam, jouw werk hier bekend is, dat de mensen híer weten dat je dit gedaan hebt.” “Maar het is vooral jouw werk” zei ik. “Jouw uitvoeringen, jouw muziek, jouw kennis” “Neehoor” zei S’kho vastbesloten. “Het was jouw idee om een boek te schrijven, en het zijn jouw ideeën in het boek. En we moeten vieren dat het er nu is.”

En als S’kho iets in haar hoofd heeft, dan gebeurt het, zoveel weet ik intussen ook. We spraken een prijs af, ze is een band bij elkaar aan het zoeken. Ik kon via collega’s van de universiteit het Centre for Jazz and Popular Music (CJPM) van UKZN reserveren. Iedereen wist nog wie ik ben. Iedereen wilde me helpen. Ik krijg het voor een vriendenprijsje op een vrijdagavond, dan kan zoveel mogelijk geld naar de musici gaan. Ze maken een poster voor me en stuurden me een lijst met mensen die ik in elk geval moet uitnodigen. 

Zo kwam er binnen een halve dag een heuse boekpresentatie tot stand. 

Het Centre for Jazz and Popular Music… Daar zwaaide mijn toenmalige geliefde Mageshen destijds zijn scepter. Ik kwam er bijna dagelijks, de spreekwoordelijke extension of my living room. En wat belangrijker is: in het CJPM ontmoette ik S’kho voor het eerst, in 2008, toen ze er optrad met haar band, het begin van een jarenlange samenwerking en vriendschap. 

Wat een verleden heb ik hier liggen, en hoe wonderbaarlijk is het om nu weer door dat verleden aangeraakt te worden. Of beter gezegd: wat een waanzinnig gevoel om na al die jaren afwezigheid in zo’n gespreid bedje te vallen, in een warm sociaal netwerk dat er gewoon nog is. “Welcome home”, zegt iedereen.

Regen

De timing van mijn trip naar Zuid-Afrika was weloverwogen. Ik hoef de lezertjes van dit blog niet te vertellen dat februari de meest deprimerende maand op het noordelijk halfrond is: vroeg invallende duisternis, dagenlange donkergrijze bewolking, kouwe nattigheid - maandenlang, en dan moet je nog een week of 6 in de grauwigheid doorbrengen voordat er iets een beetje op lente begint te lijken. En ik kon twee weken afwezigheid om mijn colleges heen bouwen.

Dus mijn voornemen was om hier eens lekker in de zon te gaan liggen bakken. De voorspellingen zagen er goed uit: zon, rond de 30 graden. Grant en Angus hebben een zwembad in de tuin. 

Maar de goden beslisten anders. We hadden al turbulentie bij de landing: onweer. Op weg van de luchthaven naar Grants huis begon het te regenen. De eerste regen in weeeeken, zei Grant. Eindelijk. 

Regen is iets wonderbaarlijks. Ik heb er eens met een Iraanse winkelier in Lombok (Utrecht) een discussie over gehad. “Jullie Nederlanders klagen altijd over de regen” zei hij. “Maar regen brengt leven. Kijk naar kinderen, het eerste wat ze doen als ze een regenplas zien is er keihard met twee voetjes tegelijk in stampen. Lekker nat. Alles wat van boven komt, is goed.”

En toen ik in Grants tuin uit de auto stapte, herinnerde ik me die discussie. De aarde, de grond, de bomen en de bladeren reageren op de vochtigheid van boven. Allerlei mineralen komen los. De geur van net gevallen regen heeft iets geestverruimends, zeg ik altijd. Maar het is in feite de geur van net bevochtigde aarde. Je ruikt de plek waar je bent. Heel direct en onontkoombaar. Dat maakt het zo’n krachtige ervaring.

Als ik met vrienden uit Zuidoost Azië praat over net gevallen regen, dan weten we allen precies hoe dat ruikt en hoe dat een gevoel van thuiskomst geeft. In de bossen bij Doorn, waar ik ben opgegroeid, kun je de geur van natte dennenappels uit duizenden herkennen. En toen ik donderdag uit de auto stapte in Melville, Johannesburg rook ik Zuid-Afrika: in minder dan een seconde drong het besef van plaats tot diep in mijn neusholte, hersenen en longen door. De geur van een net bevochtigde omgeving is overal weer anders, en overal onmiskenbaar: je herkent meteen waar je bent.

Die machtige zintuiglijkheid deed niets af aan het feit dat ik het na verschillende gigantische nachtelijke onweersbuien gisteren wel een beetje fris had, met alleen maar zomerjurken in mijn koffer. En we konden een braai in de tuin houden, maar wel tussen de buien door. Echt problemen van Nederlanders, zou de Iraanse winkelier zeggen. 

En ook hiervan weten mijn Zuid-Afrikaanse vrienden een welkomstgeschenk te maken: “We have been cooked here all week, and now you have brought us the rains! You see why you should come this side more often? You bought us the rains! Finally!”





woensdag 17 juli 2019

If you’re happy, I’m happy

Na onze Kaapse villa in de Mother City, ons Kaaps-Hollandse strandhuisje in Wilderness, onze bipolaire hosts in het Britse landhuis in Durban over wier creepy-ness je een griezelboek zou kunnen schrijven (te lang voor een blog), hebben we nu onderdak in een garagebox in Graskop.
Bergklimaat hier in Mpumalanga. Overdag 28 graden. ’s Nachts steenkoud. De airco in de garabox staat op 30 graden en zodra je hem uitzet slaat de klamme kou je op de huid. De auto is naar buiten verbannen.

Wat een ontberingen. Pa had een rolberoerte gekregen, zeggen Martha en ik gierend  van de lach tegen elkaar. De ontbijtzaal ligt in het donker naast het zwembad onder een golfplaten dak en daar is ook een lounge op tegelvloeren waar we allemaal gebruik van mogen maken. Het is een unheimisch soort glorie-die-nooit-geweest-is luxe (in tegenstelling tot vergane-glorie luxe waar ik erg van houd, ook als het geen luxe is).

In plaats daarvan zitten we in het restaurantje naast het B&B bij een houtvuur waar ze pizza’s op bakken en een olielampje op tafel. We zijn in een aanhoudende machtsstrijd verwikkeld met de trainee-serveerster over het volume van de muziek. We vragen om beurten of het zachter mag. Daarna zet zij hem weer harder.

Morgen gaan we een tour doen in Blyde River Canyon. Google het even op _images_ en je weet waarom we hier zijn.

Willem verwelkomde ons bij de receptie. Hij had een groot ijzeren kruis om zijn nek hangen en worstelt naar mijn indruk hardhandig met zijn geaardheid. Een heel lieve man, die net als onze vorige hosts meer zijn best doet voor ons dan we ooit zouden kunnen wensen.

Misschien vinden wij het ook gewoon wel een beetje moeilijk om te ontvangen. Iedereen van Kaapstad tot Graskop zegt: “If you’re happy, I’m happy.” Laat ik dat nu net een beetje aan het afleren zijn…