maandag 26 oktober 2009

Terug (2)

En net als vorig jaar ben ik bezig met de verwarring van het terugkeren. Met afscheid nemen. Met datgene wat ik hier moet achterlaten en met wat er ‘thuis’ op me ligt te wachten. Ik draai Beethovens 7de op Mageshens stereotoren. Daar wordt de verwarring tastbaar van.

Gisteren gingen we voor het laatst naar Chatsworth. Mageshens familie had een braai voor me georganiseerd in de tuin van zijn ouderlijk huis naast het hondenhok met de grote enge hond die Rebel heet en bij nader inzien de zoetste woef is die je je kunt voorstellen. Maar hij is reus-achtig.

Hoeveelheden vlees voor een hele legerkazerne. Onder het geblèr van de moskee werkten we ons bij zonsondergang door de boerenwors, speklappen, kippenpootjes en karbonaadjes heen. De botjes naar Rebel. Gloep. Weg. Als ik in NL ben, ga ik op dieet en word ik ook maar vegetariër denk ik. Ik heb genoeg vlees gegeten voor de komende 10 jaar.

Mageshens nichtjes spreken nu niet meer van Uncle Timmy, zoals me vorig jaar opviel, maar van Uncle Timmy and Auntie Barbra. En dan niet voor de grap hè, maar serieus. Ik ben een echte Tante Barbara geworden. Mageshens zus had een gigantische chocoladetaart voor me gebakken en ik kreeg een hele hoop cadeaus van iedereen: sieraden, waaronder een halsketting met een kruis – we hebben mijn levensbeschouwelijke oriëntatie altijd maar vaag gehouden – en een groot cadeau voor mijn moeder.

Ik voelde me verwend en welkom en warm, zoals ik me altijd bij Mageshens familie gevoeld heb. Op de breedbeeldtelevisie bekeken we de foto’s van Mageshens bezoek aan Nederland in juni. Mageshen op een fiets. Mageshen bij een windmolen. Mageshen op een gracht in een rondvaartboot. Mageshen in de Westerkerk. Dolle pret. Mageshens oudste zus skypete ons uit Schotland om me een virtuele knuffel te geven en de hele familie stond gierend om de computer naar Mageshens neefje van 3 te kijken. Klein Indiaas mannetje met een Schots accent. Ook dolle pret.

Toch voelt het teruggaan heel anders dan vorig jaar. Toen wilde ik gewoon niet terug; ik was er nog niet aan toe. Nu ben ik er wel aan toe. Ik mis Nederland ook wel en ik wil in Nederland aan de slag met de informatie, contacten en plannen die ik hier opgedaan heb. En ik heb hier nu een vaste voet aan de grond: zowel persoonlijk als professioneel. Dus ik kom vast snel weer terug.

dinsdag 13 oktober 2009

Sprookje

In Nederland is weinig noodzaak meer voor het vertellen van sprookjes. Kritiek, taboe-onderwerpen en loyaliteiten mogen allemaal in onverbloemde vorm het publieke domein ingesmeten worden, dus je hebt geen parabel meer nodig om de boodschap te verpakken. Literair gezien is dat jammer, en maatschappelijk gezien eigenlijk ook. Ik luister liever naar sprookjes dan naar Geert-Wildersgebral.

Geert Wilders wordt bedreigd, niet zozeer omdat hij de vrijheid neemt om te zeggen wat hij wil, maar omdat de manier waarop hij die vrijheid neemt volkomen gespeend is van enige welwillendheid ten opzichte van de mensen en leefwijzen waarover hij spreekt. In Zuid-Afrika – 11 officiële talen en een veelvoud aan culturen en geloofsystemen – laat je dat wel uit je hoofd. Een dergelijke recalcitrantie zou binnen de kortste keren ontaarden in een burgeroorlog.

Daar komt bij dat de vergelding voor een gebrek aan welwillendheid hier hoger is dan in Nederland. Ik ken een muziekcriticus die in Nederland eens door een voornaam musicus bedreigd werd: hij zou geen vrijkaartje meer krijgen als hij kritisch over de musicus bleef schrijven. Daar spreekt iedereen dan – terecht – schande van. Vrijheid van meningsuiting, weet je wel. Maar in Zuid-Afrika denken we niet in vrijkaartjes. Daar denken we in klappen op de kop, of erger.

En soms moet je welwillend zijn tegenover nogal onwelwillende standpunten. Ik vind het moeilijk begrip op te brengen voor iemand die vindt dat mannen meerdere vrouwen mogen huwen, maar vrouwen niet. En een situatie waarin musici als wegwerpartikelen worden behandeld, omdat ze als eigendom van een lid van het Koninklijk Huis worden beschouwd, wil ik ook graag kritisch aan de orde kunnen stellen. Daar moet ik dan – in tegenstelling tot Geert Wilders – indirecte expressiemiddelen voor verzinnen: quasi-onschuldige vragen stellen, bijvoorbeeld, of bloggen in een obscure Noord-Europese taal, of… sprookjes vertellen.

Ik ga de lezertjes van dit blog dus nu een sprookje vertellen, waarbij ik expliciet maak dat elke overeenkomst met werkelijke gebeurtenissen op toeval berust. Dat zeg ik niet omdat ik op enigerlei wijze gevaar loop, maar omdat ik in de toekomst niet dwarsgezeten wil worden in het uitoefenen van mijn werk. Gewoon een voorzorgsmaatregel dus.

[Nu ik dit sprookje aan het schrijven ben, bliksemt, onweert en regent het zo hard dat horen en zien me vergaat. De weg voor ons huis is veranderd in een kolkende rivier. Ik heb de computer veiligheidshalve van het elektriciteitsnet afgehaald. Kruip maar bij het haardvuur en bibber. Het wordt een duister sprookje…]

Er was eens een meisje met een grote witte neus. De neus had een enorm gevoelig reukorgaan dat allerlei geuren, smaken en slips-of-the-tongue kon waarnemen en vastleggen. Daardoor was het meisje behept met een onstilbare nieuwsgierigheid. Ze moest naar verre landen reizen om die nieuwsgierigheid te stillen. De meeste mensen vonden haar grote witte neus best aantrekkelijk, dus ze vonden het prima dat ze hem overal instak. En ze was, dankzij haar nieuwsgierigheid, een rondborstige troubadour tegen het lijf gelopen, die haar net zo liefhad als zijn upper-structure pentatonics. En dat zegt wat.

Dus het meisje met de grote witte neus was heel gelukkig en leerde het verre land steeds beter kennen. Ze ontmoette andere minstrelen en op een goede dag trok ze met de minstrelen het diepe binnenland in. In het binnenland regeerde een ridder, die zichzelf de ‘Koning van het binnenland’ noemde. Het meisje met de grote witte neus werd driemaal ‘beproefd’ om te ontdekken hoe duister deze ridder was.

De eerste beproeving was in het binnenland. De minstrelen waren allemaal naar het land van de ridder gekomen om voor hem te zingen en te spelen. Het meisje met de grote witte neus vernam dat de minstrelen hadden moeten dansen voor de duistere ridder voordat ze mochten slapen in een koud kasteel zonder dekens. Ze zag hoe de minstrelen zonder eten en drinken uren moesten wachten in de hete zon voordat ze hun werk konden doen. En ze zag dat de minstrelen gevangen gehouden werden door de duistere ridder omdat ze te arm waren om zelf terug te keren naar de stad en moesten wachten op het koninklijke rijtuig dat niet zou vertrekken voor ze gewerkt hadden. Dus het meisje met de grote witte neus nam de minstrelen mee in haar eigen paard en wagen, en zo ontsnapte ze voor de eerste maal aan de klauwen van de duistere ridder.

Maar de ridder had haar gespot op zijn feest in het binnenland. Ze was immers de enige met een grote witte neus. De ridder was zo nieuwsgierig naar de witheid van haar grote neus dat hij een postduif stuurde en haar uitnodigde op zijn paleis in de stad. Het meisje met de grote witte neus aarzelde. Ze wist al dat de ridder duister was. Maar ze wist ook dat de ridder rijk en machtig was en haar misschien ooit eens zou kunnen helpen. Dus ze nam de uitnodiging aan op voorwaarde dat ze haar trouwe troubadour mocht meenemen. De duistere ridder zegde tandenknarsend toe. Hij nam een dame van lichte zeden mee als tafelgenote om de trouwe troubadour bezig te houden zodat de duistere ridder zijn aandacht op de grote witte neus van het meisje kon richten. Maar de trouwe troubadour liet zich niet afleiden en bracht zijn meisje aan het eind van avond ongeschonden en met een volle maag weer uit het paleis van de ridder. Zo brachten het meisje en de troubadour de tweede beproeving tot een goed einde.

De derde beproeving was de gevaarlijkste van allemaal. De duistere ridder stuurde opnieuw een postduif naar het meisje met de grote witte neus. Hij wilde haar opnieuw ontmoeten want hij wilde haar tekeningen van het feest hebben om aan iedereen te laten zien hoe mooi het geweest was. Het meisje aarzelde opnieuw. Ze wist dat de ridder meer wilde dan haar tekeningen, en ze wist bovendien niet of ze haar tekeningen wel aan hem wilde geven, want ze had het feest niet zo mooi gevonden. Maar de ridder kon haar iets geven wat niemand anders haar kon geven: bevrediging van haar gigantische nieuwsgierigheid naar de muziek van de minstrelen. De duistere ridder was de baas over de minstrelen en het meisje wilde weten hoe hij dat deed. Dus ze nam zijn uitnodiging opnieuw aan.

De trouwe troubadour rook onraad. ‘Zorg dat je hem ontmoet in een herberg met andere mensen', adviseerde hij haar, ‘en niet in zijn paleis.’ Dus dat deed ze. Ze stapte in een postkoets naar de herberg en hoewel de ridder beloofd had de postkoets te betalen, deed hij dat niet. De ridder was blij met haar tekeningen. Hij schepte op over zijn macht en rijkdom. Hij vertelde haar over zijn gevechten met speer en schild. En hij vertelde over zijn neven die zijn leiderschap van zijn Huis betwisten en hem proberen te vermoorden. ‘In het binnenland’ zegt hij ‘MIJN grondgebied, weet je wel, beweeg ik me nooit zonder lijfwachten, want mijn neven hebben gezworen mij om te brengen.’

Het meisje had geleerd dat als je vriendelijk bent tegen mensen, mensen altijd vriendelijk terug zijn. En als mensen vriendelijk zijn, dan zijn ze geneigd meer te zeggen en dan is er meer vast te leggen voor haar grote witte neus. Met de duistere ridder was dat niet anders. Maar zoals het meisje haar vriendelijkheid gebruikte om meer kennis te vergaren, zo gebruikte de ridder zijn vriendelijkheid voor zijn eigen duistere plannen. Het meisje wist dit. Als ze te vriendelijk zou zijn dan zou ze de ridder gelegenheid geven zijn duistere plannen ten uitvoer te brengen. Als ze niet vriendelijk genoeg zou zijn, dan zou de ridder boos worden en kwaadschiks nemen wat hij goedschiks niet krijgen kon.

De ridder en het meisje deden ieder hun eigen gevaarlijke koorddans. Het meisje probeerde haar honger naar kennis te stillen; en de ridder probeerde zijn honger naar witte neuzen te stillen. ‘Weet je dat mijn kamers in deze herberg zijn?’ zei de ridder tegen het meisje. ‘Nee’, zei het meisje, ‘maar wat ik wel wil weten, is hoe je de minstrelen van je feest hebt leren kennen.’ ‘Ik weet niet meer’ zei de ridder verveeld. ‘Wat heb je mooie volle lippen…’ ‘Dat zal best’, zei het meisje, ‘maar welke broodheer zorgde voor het onderdak van de minstrelen?’ ‘De postduivenmelker geloof ik’, mijmerde de ridder. ‘Wat heb je een mooie wijde mond…’ ‘Ga je op je volgende feest ook minstrelen van buiten je grondgebied uitnodigen?’ vroeg het meisje. ‘Misschien’, zei de ridder. ‘Wat heb je een geweldig open persoonlijkheid… Ik ben gewend om te krijgen wat ik wil. Wat moet je eigenlijk met die troubadour? Jullie zijn veel te close. Dat ga je nooit volhouden.’

De duistere ridder pakte de hand van het meisje en begon haar handpalm te masseren. Het meisje keek naar haar handpalm en dacht ‘hoe krijg ik mijn hand terug zonder dat de ridder duisterder wordt dan hij al is?’ Ze bedacht een list. Ze trok haar hand vriendelijk terug en zei tegen de ridder: ‘ik moet nu naar huis want de wasmeid is klaar met werken en ik moet haar betalen voor ze weggaat. Dag hoor.’

De ridder kon niet anders dan haar naar een postkoets brengen omdat hij dat beloofd had. De koetsier was bang voor de ridder en wilde het meisje eerst niet meenemen, want de ridder stond nog 500 dukaten bij hem in de schuld. Maar met een groot gebaar haalde de ridder 400 dukaten uit zijn zak en smeet die in de schoot van de koetsier. ‘Ben je nu tevreden?’ zei hij. De koetsier stemde toe en zo ontsnapte het meisje met de grote witte neus voor de derde maal aan de klauwen van de duistere ridder. En ze leefde nog lang en gelukkig met haar trouwe troubadour.

dinsdag 6 oktober 2009

Koninklijk diner

Toen de Prins mij maandagmorgen opbelde, had hij gerekend op een dineetje à deux, maar ik liet hem meteen na het accepteren van zijn uitnodiging weten dat hij zeker ook mijn vriend moest ontmoeten, Dr Mageshen Naidoo, Director of the Centre for Jazz and Popular Music en een van Zuid-Afrika’s beste jazzmusici. Hmmm ok, zei de Prins.

Dus Mageshen mocht mee. Hij liep de hele namiddag met stoom uit zijn neusgaten door het huis: ‘Waarom belt die kerel jou op? Wat moet ie van je?’ ‘Weet ik veel’, giechelde ik, ‘me in m’n witte wangetjes knijpen waarschijnlijk.’ ‘Heb je hem verteld dat je vriend niet van Italiaans eten houdt?’ vroeg Mageshen. ‘Je hoeft niet mee hoor’ grijnsde ik. ‘Niks daarvan’, brieste Mageshen, ‘jij gaat niet alleen!’ Heerlijk, zo’n jaloerse man.

Ik had zo mijn eigen strubbelingen. Zou ik de Prins vanavond aanspreken op de schandelijke uitbuiting die ik zaterdag had gezien? Al was het maar in bedekte termen? Ik voelde me verplicht tegenover Skho. Maar Mageshen vond dat geen goed idee. Lekker eten op zijn rekening, zei hij, en misschien kan hij iets financieren, voor jou of voor mij. Daar bereik je meer mee. Andere vrienden vonden dat ook. Niet meer koloniaal doen. Als witte heb je – zeker in Zuid-Afrika – weinig recht van spreken als het over uitbuiting gaat.

In de auto bedachten we hoe je een Prins in Zoeloe moet aanspreken. Hij deed aan de telefoon al een beetje te informeel voor Your Royal Highness, al is dat wel zijn titel, dus we besloten gewoon maar heel beleefd te zijn. Om 7 uur parkeerden we voor het Beverley Hills hotel in Umhlanga Rocks, een van de chiqste hotels in Durban. Ik belde de Prins en hij zei dat hij er over een half uurtje zou zijn. We zijn als niet-Zoeloes dan wellicht niet op de hoogte van het juiste aanspreekprotocol, maar het protocol wordt vrij eenvoudig op een andere manier afgedwongen: wachten. Dat wist ik nog maar al te goed van afgelopen zaterdag.

Maar om half 8 kwam hij inderdaad het hotel binnen met in zijn kielzog een slanke, uiterst schaars geklede brunette. Wit, wel te verstaan. Ik zou zweren dat ze Joods was, maar Mageshen wist zeker dat ze ten minste ten dele Indiaas was. We waren het er over eens dat ze wat bijverdiende in de escortbranche, dus ik besloot dat ik de – duidelijk uitgelokte – competitie wie de mooiste is, maar niet aanging. Mijn straf voor het mee-uitnodigen van mijn vriendje. Maar ik was wel blij dat ik net mijn wenkbrauwen had laten harsen in onze Indiase schoonheidssalon in Chatsworth.

De Prins stond erop mij op z’n Nederlands drie zoenen op mijn wang te geven – hij kende Nederland goed – en Mageshen sprak hij aan met doctor. Maar het Royal Highness kwam er bij ons nog steeds niet uit. De Prins zat geen moment stil – wipte van zijn ene bil op zijn andere – en hield niet op met praten. We zeiden braaf ja en nee en natuurlijk.

Hij begon een tirade tegen die Europese werkethiek (‘dat past niet in Afrika, waarom moet je werken?’), en hij hield een pleidooi voor de verdere herverdeling van land: ‘iedereen heeft recht op land. Wat is een man zonder land. Al die arme Indiërs met hun winkeltjes, dat is toch vreselijk. Heb je er ooit over gedacht om een stuk land te nemen?’ vroeg hij Mageshen. ‘Nee, eigenlijk niet’ moest Mageshen toegeven. De Prins snapte daar helemaal niets van.

We bestelden te eten. De Prins keek niet in het menu. ‘Ik wil ossenstaart’ liet hij de ober weten. Dat hebben we niet, zei de ober. De Prins keek verstrooid naar het plafond. ‘Hebben jullie niet? Eeeuhh. Dan wil ik struisvogel.’ ‘Dat hebben we ook niet’ zei de ober. ‘We hebben Fillet de boeuf of Lamb’s Rack, I can highly recommend it.’ ‘Lamb’s Rack dan maar’, zuchtte de Prins.

Het werd al snel duidelijk wat de Prins wilde. Dat wat andere Zuid-Afrikanen ook van me willen: toernees in Nederland. Hij had veel met Zoeloedans- en muziekgroepen door Europa getoerd, dus hij was een leuke informant voor me, maar leek daar nu mee opgehouden te zijn. Gezien de situatie van afgelopen zaterdag, verbaasde me dat niet.

Ik reageerde niet heel gretig op zijn oproep tot “samenwerking”. Maar dat scheen hem niet te deren. Al starend naar het plafond mijmerde hij hoe leuk het zou zijn om weer rond te reizen in Nederland en Nederlandse artiesten in Ulundi te laten optreden. ‘Het festival vertegenwoordigt nu al de hele regenboognatie’, zei hij. ‘Zeker’, loog ik. Ik had zaterdag alleen maar Zoeloebands gezien. ‘Maar een internationaal festival is natuurlijk helemaal mooi’, vervolgde hij, ‘en het moet wat vroeger in het jaar plaatsvinden, want ik wil op vakantie. Misschien ga ik een maand. Nee. Twee maanden.’

En hij had grootse plannen met de peperdure filmopnamen die hij zaterdag had laten maken. Op dvd zetten en internationaal distribueren. En daar had hij Dr Naidoos advies voor nodig. Hoe zat het met de rechten? Mageshen vertelde hem met tegenzin de waarheid: dat de musici hun rechten aan hem gegeven hebben door toestemming te geven voor het filmen. De opnames van Skho’s spetterende optreden gaan binnenkort de wereld over en van het geld dat de Prins daarmee verdient hoeft hij niets aan haar af te dragen. De machtsverhoudingen zijn wederom bevestigd.

Het eten en de wijn waren trouwens werkelijk voortreffelijk. In geen maanden zo lekker gegeten. Ik weet alleen niet wat Skho gisteren gegeten heeft.

maandag 5 oktober 2009

Africa

Aan de universiteit loopt een student rond die Genius heet, en aangezien hij niet bepaald snugger overkomt, is hij het onderwerp van venijnige docentengrappen. Arme jongen. Dus toen Skho mij het telefoonnummer van Africa gaf, de organisator van een traditionele-muziekfestival in Ulundi, begon ik inwendig alweer te proesten. Wat doen ouders hun kinderen toch aan met stomme namen.

Ik belde Africa op en vroeg hem waar en wanneer het festival was, want dat wist niemand van de vele maskandi uit Joburg en Durban die er naar toe zouden gaan. Zaterdag om 09.00 uur, zei Africa, maar eigenlijk al de avond te voren, en hij kon wel een VIPkaartje voor me regelen. Maar ik liet hem weten dat ik er zaterdagmorgen pas was en dat ik geen VIPkaartje wilde. ‘Oh’, zei Africa teleurgesteld.

Ik ben er intussen aan gewend dat tijd en afspraken in Afrika iets anders betekenen dan in Europa. Als iets om 12 uur begint, moet je echt niet voor half 2 arriveren. En op woensdag afspreken om iemand vrijdag om 11 uur te treffen is vragen om moeilijkheden. Het is beter om vrijdagmorgen te bellen om te kijken wat de mogelijkheden voor de komende uren zijn en dan is er altijd wel iets te organiseren.

Ulundi is 3 uur rijden van Durban; het ligt in de diepe binnenlanden van het Zoeloekoninkrijk. De koning heeft er zijn hofhouding en in apartheidstijd zetelde in Ulundi het (nep)parlement van het Zoeloethuisland. Nu is het een slaperig provinciestadje midden in een volstrekte plattelandsomgeving.



Als ik om 08.00 uur uit Durban vertrek, dacht ik, dan ben ik daar tegen elven. Dan gaat er misschien eens wat beginnen.

Skho’s plan was om mij met haar band te laten optreden en – net als zij – op vrijdag al met de artiestenbus van Durban naar Ulundi te reizen. Met de vele toernees van koortjes en orkestjes in Europa in het achterhoofd leek mij dat een heel aantrekkelijk idee en bovendien een etnografisch goudmijntje: uren in de bus met potentiële informanten.

Toch is er iets in mij dat me weerhoudt om helemaal op te gaan in het uitvoeringsgebeuren. Ik beleef veel plezier aan het muziek maken met Skho en met Shiyani, en het levert me prachtig materiaal op, maar ik wil ook altijd op een vooraf door mij bepaald tijdstip weer wegkunnen. Vele maskandi met wie ik werk – en Skho met name – zien mij als iemand die het maskandavak volwaardig kan leren. Ik ben geroerd door die inclusiviteit, maar heb zelf niet het gevoel dat ik het ooit volwaardig kan leren en proef bovendien allerlei verwachtingen van haar kant: als ik eenmaal muzikaal en emotioneel gebonden ben aan haar muziek, dan ga ik haar misschien eindelijk eens die supertoernee in Nederland bezorgen. Het is niet uit haar hoofd te praten. En het benauwt me.

Maargoed. Ulundi leek een mooie stap in Skho’s carriere. Alle grote namen zouden er zijn: Ladysmith Black Mambazo, enfant terrible Thokozani Langa, Busi Mhlongo, Phuzekhemisi en een keur aan maskandi die ik in Johannesburg en Durban gesproken had. Maar iedereen noemde weer andere namen en Africa was ook niet heel helder over het uiteindelijke programma.

Dus ik besloot Selby in te huren voor de dag. Zodat ik kon komen en gaan wanneer ik wilde. Het lukte me ook om onder het optreden uit te komen door mijn danskostuum “te vergeten”. Maar het spanningsveld tussen Europees individualisme en Afrikaanse ubuntu werd groter naarmate de dag vorderde.

Ik gaf een van Skho’s dansers een lift, omdat ze niet al op vrijdagavond met de bus meekon en na een voorspoedige rit door de binnenlanden


(en de KFC voor ontbijt) vonden we dankzij de mobiele telefonie de middelbare school waar alle muzikanten voor het festival ondergebracht waren voor de nacht. Sko’s hele band propte zichzelf en de bagage in Selby’s auto. Rond het middaguur hobbelden we zwaar overbeladen naar het voetbalveldje waar het festival zou plaatsvinden. Supergezellig, zo met z’n allen in de auto. Iedereen, inclusief Selby en ik, genoot ervan.

Africa had niet zomaar een plattelandspodiumpje opgezet. Een gigantisch professioneel podium, met kapitalen aan geluid- en lichttechniek, een billboard waarop alle handelingen op het podium werden uitvergroot, een reusachtig springkussen van de sponsor voor de kinders, en een zee van MTN (telefoonbedrijf) en Coca Cola sponsorvlaggen. We kregen allemaal een MTN-petje op ons hoofd. Wow, hier zat geld achter.

De artiestenbus was aangekomen, de maskandasterren waren met eigen vervoer gearriveerd. Tegen 12.30 was iedereen present: we schudden de eerbiedwaardige Joseph Shabalala van LBM de hand en maakten een praatje met Thokozani Langa. Er was een hartelijk weerzien met de musici die ik in Joburg had gesproken. Maar waar was het publiek? Het podium was leeg. Het voetbalveldje was leeg, afgezien van wat geitenpoep.


We parkeerden de auto en wachtten. Skho vertelde dat ze niet geslapen had vannacht en dat ze na haar optreden met mij mee naar huis wilde. Ze wilde niet op de bus wachten. Ik wil wel uiterlijk om 6 uur terug, piepte ik. Oohhh, zei Skho. Tegen die tijd is het echt wel afgelopen hier.

Ik was wederom de enige niet-zwarte naast een Indiase verslaggever met een camera die ongelooflijk uitviel tegen een van de organisatoren. ‘You are gonna stop now with confusing me’ tierde hij. ‘If you say 10 o’clock, it’s 10 o’clock. Not something else. Look who’s here? Nobody! I’m not gonna let this happen to me again. Have you heard what I said?’ We wisten op dat moment niet dat dit nog maar het begin was.

Het gezicht van de oude Shabalala stond op onweer. ‘I am here out of respect for the young man’ gromde hij, ‘but this is the second time we meet this situation. It is not good.’ Pas toen begon me te dagen wie de jongeman was voor wie iemand als Joseph Shabalala kwam opdraven. Zijne Koninklijke Hoogheid Africa Zulu is een van de Zoeloeprinsen. Dit was zijn feestje.

In de uren dat ik met Skho en haar dansers zat te wachten, veranderde Selby’s auto langzaam in een woning. De musici vielen uitgehongerd aan op de koekjes en bananen die ik had meegebracht, alle restjes kip die Selby en ik niet hadden afgekloven, peuterden ze uit de KFCzakken om op te eten. Kostuums, jassen, tassen, drinkflessen, en wc-papier lagen overal op en over de stoelen. En langzaam peuterde ik bij Skho los wat de werkelijke situatie was, een verhaal dat later bevestigd werd door een van Mageshens studenten die hetzelfde lot getroffen had.


De artiestenbus was vrijdag om 2 uur uit Durban vertrokken en had er een schokkende 8 uur over gedaan om Ulundi te bereiken. De musici werden tegen tienen naar een tent geleid waar er uren gedanst werd (of moest worden, dat kon ik niet achterhalen) voordat er rond middernacht te eten was. Pas tegen 2 uur in de morgen konden de musici naar bed, maar in de school waar ze overnachtten waren geen lakens, geen dekens en geen warm water. De volgende ochtend was er geen ontbijt. Skho had haar laatste geld besteed aan ontbijt voor haar bandleden. Nu had ze een probleem want dat geld was bedoeld als reisgeld voor degenen die van Durban nog verder moesten om thuis te komen.

Het honorarium dat ze van Zijne Koninklijke Hoogheid zouden krijgen voor hun optreden was 1000 rand per band (bestaande uit 4 dansers, 5 instrumentalisten en een lead singer). Dat komt neer op 8 euro per persoon.

Tegen half 3 zei ik: als er over een uur nog niets te beleven is ga ik terug. En ik zag hoe wanhopig Skho werd. Als ik zou vertrekken voordat zij zou optreden dan zou ze niet meekunnen.

Ik overpeinsde mijn westerse wens om weg te kunnen wanneer ik zou willen. Ik stelde me voor hoe het zou zijn om over een uur tegen Skho te zeggen: ‘wil je alsjeblieft je spullen uit de auto halen, want ik ga nu. Je kunt je omkleden op dat weiland daar (waar ik een uur geleden nog mannen had zien urineren), net als alle andere musici. En ga morgen maar met de bus terug na een slapeloze nacht, want ik wil vanavond op tijd thuis zijn.’ Het was ondenkbaar om zoiets tegen haar te zeggen. Ik besefte dat ik zou moeten blijven tot ze opgetreden had, ookal zou dat ‘s avonds laat zijn. Er waren wel 15 bands en alle hotshots wilden eerst, want ze hadden nu lang genoeg gewacht. Skho’s positie in de rangorde van invloedrijke maskandi schatte ik in als hekkensluiter. ‘I’ll wait for you’ zei ik tegen Skho.

Ik weet niet of het mijn druk op de ketel was of Skho’s bewonderenswaardige assertiviteit, maar tegen drieën organiseerden de bands zich en Skho was een van hun meest uitgesproken vertegenwoordigers. Ze was razend, half in tranen van woede. Ze tierde in Zoeloe tegen een van de organisatoren. Ik kon niet precies volgen wat er gezegd werd, maar later vertelde ze me dat ze gezegd had: niemand gaat het podium op voordat we te eten en te drinken hebben en voordat we ons geld gezien hebben. Goedzo, zei ik. ‘En als je je geld niet krijgt, dan treed je gewoon niet op. Dan ga je lekker met mij mee naar huis.’ ‘Precies’, zei Skho.


Jippie, denk ik nu als ik het opschrijf. Leuk. Spannend. Opstand tegen de prins. Wat een avontuur. Maar het was zaterdag echt helemaal niet leuk. Iedereen was boos en verdrietig en voelde zich genaaid. En ook gevangen. Zolang die bus niet terugging naar Durban, kon niemand ergens heen. Behalve Skho dus nu plotseling. Ze was een beetje minder machteloos. Maar de situatie waarin zij en haar collega’s verkeerden, was duidelijk geen unieke gebeurtenis: voor de zoveelste keer gemangeld tussen commercie en feodalisme. Ze was het zat.

En plotseling was er te eten. We schepten onze borden extra vol en stopten wat we niet opkonden in de lege KFC zakken. Je weet immers niet wanneer je weer te eten krijgt. De koninklijk familie kwam binnendruppelen, de ene BMW na de andere mercedes, maatpakken, zonnebrillen, elke man met meerdere echtgenotes. Er kwam beweging in het programma. Ladysmith Black Mambazo beklom als eerste het podium en deed met minimale inspanning en boze gezichten wat ze al 25 jaar doen. Daarna was de eer aan Thokozani Langa.



En toen begon het lange wachten backstage in de namiddagzon.


Skho was in een vechtersstemming. Ze stond als zevende op de haastig in elkaar gedraaide lijst, maar plotseling stond ze op de trappen naar het podium. Ik ging frontstage om foto’s te maken in de vallende duisternis. Haar backing band werd na een aanvankelijke opkomst bijna weer van het podium gehaald, maar ik zag haar met driftige armgebaren haar plek afdwingen. Haar musici bleven staan waar ze stonden en de MC legde zijn hoofd in de schoot. Ze kwam op en voerde twee van haar nummers met zinderende dansen op. De agressie spoot ervan af.


Om kwart over zes kwam ze van het podium af. Selby’s auto werd nog een keer omgebouwd tot kleedkamer en met zoveel mogelijk dansers in de auto reden we om 7 uur het voetbalveld af. De mannen van de band pasten er niet meer bij; ze moesten achterblijven, maar kregen de KFC zak met het eten van die middag.

Selby zette er vaart achter en met volle maan reden we door de bergen terug naar Durban. Skho was zo moe dat ze de hele rit sliep en haar vrienden belden mij: ‘Have you escaped?’ vroegen ze lachend. ‘Yes, we have’ zei ik triomfantelijk.

[En terwijl ik dit opschrijf op maandagmorgen, krijg ik een telefoontje van de Prins. Of ik zin heb om vanavond met hem te dineren. Ik heb ja gezegd...]

Op jacht

Informanten te pakken krijgen is niet altijd eenvoudig, zeker niet als ze beroemd zijn. Busi Mhlongo, bijvoorbeeld, is elke keer weer even vriendelijk als ik haar bel met het verzoek om een interview, maar het interview is na al die maanden dat ik er ben nog steeds niet van de grond gekomen.

Johnny Clegg is ook zo’n verhaal: hij is heel belangrijk voor mijn onderzoek, omdat hij zo diep geworteld is in de cultuur van de Zoeloes en aspecten van die muziek op grote schaal aan een wereldwijd publiek blootstelt, maar door zijn beroemdheid is hij ook onbereikbaar. Ik ben al maanden in contact met zijn managers, die me enkele weken definitief lieten weten dat een interview er niet inzit. Johnny neemt momenteel zijn nieuwe album in Brussel op en hij is continu op tournee.

Maarrrr… Barbara is niet voor één gat te vangen. Ik ken musici die jarenlang met hem opgetreden hebben en zij hebben zijn mobiele telefoonnummer. Vorige week besloot ik dat ik niets meer te verliezen had en stuurde hem zonder enige verwachting een sms.

Hij antwoordde stantepede. Hij had net een nieuwe documentaire gemaakt over maskanda. Had ik die gezien? Nee, maar een samenvatting staat op You Tube, dus ik kreeg alvast iets mee. ‘Er is zoveel dat ik je erover zou willen vragen’, smste ik terug, ‘maar ik begrijp dat je te druk bent.’ ‘Ik neem een dvdtje voor je mee naar Durban,’ smste hij terug.

OK. Een date in Durban. Spannend. Dus ik mijn terugtocht van Johannesburg naar Durban vervroegen om bij zijn concert in de ICC Arena – het AHOY van Durban – te kunnen zijn. Ik landde om 5 uur, de deuren gingen open om 6 uur en het concert begon om 7 uur. Eenmaal in de reusachtige foyer begonnen Mageshen en ik een tweefrontenoffensief. Ik smste Johnny, Mageshen schoot een portier aan en vroeg waar we de ster van de avond zouden kunnen vinden.

In Europa of Amerika hoef je er niet aan te beginnen om op een portier af te stappen als je Luciano Pavarotti of Paris Hilton wilt spreken, maar in Afrika kan er altijd wel wat geregeld worden. De portier bracht ons naar een andere portier en die bracht ons naar een stage manager. Johnny had me intussen teruggesmst dat hij net op de luchthaven van Durban geland was na een intercontinentale vlucht uit Brussel. Het was half 7, om 7 uur begon het concert. En van de vriendelijke portiers liepen we in de fuik van de krengerige managers.

Die hadden me bij Johnny’s management ook al afgepoeierd, maar deze dame wilde er wel een telefoontje aan wagen. Zij wist namelijk niet dat Johnny nog op de luchthaven was. En ik wist dat wel. Ze belde Johnny’s persoonlijke manager die waarschijnlijk naast hem aan de bagageband stond, en ze gaf me haar nummer. Als ik die manager om 8 uur belde dan kon er misschien iets geregeld worden.

We gingen de zaal binnen en woonden de openingacts bij. Mageshen liep zich beurtelings op te vreten en kriek te lachen. Het was vals, ongelijk en slecht gemiked. Om 8 uur belde ik Johnny’s manager. Ze was een volleerde afpoeierdame: ‘Johnny weet helemaal niets van een afspraak met jou’, zei ze. ‘Hij moet zo het podium op en hij heeft net een vlucht achter de rug. Stuur maar een email naar zijn management. Misschien een ander keertje.’

Ik nam weer plaats naast Mageshen in de zaal en deed hem verslag. ‘Ik denk dat ik het maar opgeef’, zei ik. ‘Nee joh’, zei Mageshen. ‘Die dame liegt dat ze barst. Als hij niet geïnteresseerd was dan had hij je zojuist echt niet geantwoord. Stuur hem een sms en zeg daarin wat zij tegen jou zei. Dan komt het uit. Musici doen niet moeilijk; managers doen moeilijk.’

Dus ik stuurde Johnny een sms: ‘Jammer dat het niet gaat lukken. Je manager zei dat je van niets wist. Ik begrijp dat dit een onhandige tijd is, misschien een ander keertje en ik ben één en al oor voor je optreden vanavond. Succes.’ Hij smste meteen terug dat we na afloop van het concert in zijn hotel konden afspreken. En wilde ik misschien een lift? Hahahahaha. F&^% de managers. ‘Zie je wel’, zei Mageshen.

Na alle kreukelbands was Johnny’s optreden een verademing. En dat na een intercontinentale vlucht. Met Impi en een aantal andere jaren-80 hits brak het publiek de tent af. Johnny verdween om half twaalf van het podium en zijn manager belde dat hij al weg was maar dat ik naar zijn hotel kon komen. Dus Mageshen en ik raceten de parkeergarage van de Arena uit om de vertrekkende meute voor te zijn en scheurden om 10 voor twaalf snachts naar Johnny’s hotel.

In de lounge spraken we tien minuten over een leuk mogelijk wetenschappelijk project, want naast popmuzikant is Johnny Clegg ook antropoloog en de wetenschapper in hem is nog lang niet dood. Dat was de reden dat hij me wilde spreken.

Donderdag vloog ik terug naar Joburg, waar Johnny’s chauffeur me van de luchthaven kwam halen. We spraken twee uur lang bij hem thuis op de bank over Zoeloe 'war cries', het ritme van klinkers en medeklinkers, maskandastijlen, apartheid, commercie en nog veel meer. Johnny groef oude bandjes op die hij lang geleden in de archieven van de omroep had opgenomen. Prachtig uniek materiaal. Wellicht zit er iets in voor een lange-termijnproject... Joepie.

dinsdag 29 september 2009

Jozi is crazy

Johannesburg is een echte stad. Een groot bussinessdisctrict in het centrum, minder groen, meer roofovervallen, en de hele dag files. Jozi is craaaazy. Ik had mezelf van maandag tot donderdag gegeven om tien belangrijke informanten te spreken. En ik had geen eigen vervoer. Dat is ook een beetje crazy.

Gelukkig had Grant me een kantoortje met telefoon en computer met internet aan de Universiteit van de Witwatersrand gegeven. En een van zijn studenten wilde wel tolken. Dus ik kroop in de telefoon want alle informanten hadden op z’n Afrikaans gezegd: jahoor, ik denk dat ik wel in de buurt ben, bel maar als je er bent.

En op één na bleek iedereeen zowaar beschikbaar en bereid. En Igz, mijn tolk, wist wel een paar studenten die een taxibedrijfje runden. In Afrika moet je niet teveel willen plannen; als dingen gebeuren, dan gebeuren ze.

We stapten eerst in de taxi naar Melville, jawel: het Montmartre van Zuid-Afrika waar M en ik exact een jaar geleden onze eerste kus uitwisselden. En je gelooft het niet: het was nog dezelfde straat ook. Daar moeten de voorvaderen achter zitten.

Boven de theesalon zat het impresariaatje dat voor de SABC (de Zuid-Afrikaanse BBC) een programma over traditionele Zuid-Afrikaanse muziek maakt en de programmamakers konden mij alles vertellen over de manier waarop ze maskanda aan jonge mensen verkopen.

De dag daarop een gladde jongen van een onafhankelijk record label. ‘Maskanda’s future is biiiiig’. Hij wilde wel met me praten om 09.00 uur. Probeer je voor negenen maar eens in Joburg over de weg te bewegen. Zweli van de taxi was laat, maar was over the moon toen ik hem vertelde wat ik in Johannesburg kwam doen.

Hij bleek werkelijk alles van maskanda te weten, had wel 100 maskandacds in zijn auto liggen. ‘Dit is een nieuwe generatie maskanda. En dit; dit moet je ook horen.’ Ik haalde mijn opschrijfboekje tevoorschijn en in de drie kwartier die we vast zaten in het verkeer praatte hij me helemaal bij. En als hij een naam niet wist, belde hij zijn neef die het wel wist.

Wist ik bijvoorbeeld dat er een vete woedt tussen maskandasterren Thokozani Langa en Bekumuzi Luthuli? Nee, dat wist ik niet. De twee heren maken elkaar uit voor rotte vis, maar hun aanhangers nemen het serieuzer. Die bedreigen elkaar met kogels in de kop en bekrassen mekaars auto. Een beetje zoals Wagner en Brahms, zeg maar, maar dan met échte mannen, want alle witte mannen zijn pussies.

De emoties zijn inmiddels zo hoog opgelopen dat de Zoeloezender Ukhozi FM heeft besloten hun muziek van de radio te bannen tot de ruzie opgelost is. De gladde jongen van het onafhankelijke recordlabel bleek later de grote verzoener, althans zo wierp hij zich op.

En na de gladde jongen stond Downtown Studios op het programma waar ik de eminente maskandamuso Ihashi Elimhlope (Zoeloe voor Wit Paard) zou treffen. Maar Zweli zat weer vast in het verkeer, en toen hij me eindelijk had afgezet bij de Studio’s was het Witte Paard boodschappen aan het doen. We zijn er zo! verzekerde zijn vrouw en manager me.

Ik streek neer in de foyer van de studio’s en waande me in het New York van de jaren 50. Stoffen bekleding op banken en wanden, gouden en platinum platen aan de muur en een galante portier in pak die Titus bleek te heten en die alles wilde weten over mijn wereldreizen. En toen liep toevallig Ntokozo Zungu binnen, een maskandastudiogitarist die ik nog niet op mijn lijstje had, dus met hem kon ik ook een babbeltje maken.

Als ik dag in dag uit in die foyer blijf zitten heb ik al genoeg informanten. Want even later kwam de gladde jongen van het record label binnen. 'Ha, jij hier' zei hij en liet me een artikel zien uit de African Sun, een sensatiebeluste tabloid op z’n Afrikaans. Op de voorpagina stond een prominente foto van een uitgemergelde jonge vrouw die er naar eigen zeggen 10 jaar lang zo ondervoed had uitgezien.

Niemand wist wat het was: geen aids, geen tb, geen kanker. Totdat ze, minuten voor de journalisten van de Sun gearriveerd waren, een foetus van een koe had uitgekotst. Het duidelijk herkenbare koeienjong-in-aanleg dreef in een plas braaksel in een teil en had al die tijd in haar maag gewoond omdat iemand een vloek over haar had uitgesproken. De sangoma (kruidenheks) die naast haar stond had haar nu met een potent kruidenmengsel van die vloek verlost. Ze kon weer verder met haar leven. Hoera. De gladde jongen slaakte een zucht van verlichting. Wat mensen verzinnen om je het leven zuur te maken.

Na het Witte Paard nog twee maskandagitaristen in een pizzeria en toen was ik volkomen afgedraaid. Ik hoorde Grant en Angus praten en kon uit hun woorden geen betekenis meer extraheren. Maar ik heb een paar uur zeer waardevolle informatie verzameld.

maandag 28 september 2009

Shebeen

Zondag was ik na een paar vruchtbare, maar uitputtende dagen informanten aflopen in Johannesburg terug in Durban. Voor het eerst was ik – samen met mijn collega van de universiteit – in The Rainbow. Als het BAT Centre vergelijkbaar is met Theater Kikker, dan is The Rainbow eeuuh…tja, onvergelijkbaar eigenlijk.

The Rainbow is een shebeen – een dranklokaal – midden in een illegaal busstation in Pinetown, een nogal desolate industriële wijk in het noordwesten van Durban. Het staat vol met formica tafeltjes, de halve-literflessen bier gaan scheutig over de toonbank en het is er ontzettend gezellig.


Na een uurtje is iedereen dronken, maar er is voldoende sociale controle en vrouwvolk om het prettig te houden en dus gaat iedereen maar dansen.


Afgelopen zondag stond Shabalala Rhythm op het podium, de twee zonen van de vermaarde Joseph Shabalala die met zijn Ladysmith Black Mambazo en Paul Simon de Zoeloemuziek al in de jaren 80 op een internationaal podium zette.


De zonen liften mee op de naam van papa en hebben een enthousiaste lokale achterban. Alle huisvrouwen die er waren konden niet alleen alle liedjes tot in het kleinste detail meezingen, maar wisten ook alle danspassen en handgebaren erbij. Lokale hitmuziek.




Twee van de danseressen hadden een maand geleden het podium met mij gedeeld in het BAT Centre, dus dat was ouwe-jongens-krentenbrood en de Shabalala boys beloofden me een interview. De rest van de dag heb ik met een biertje in de hand het publiek ondervraagd, totdat er een paar heerschappen om m’n nek gingen hangen en hun bierlucht in mijn gezicht bliezen.

De heren willen je telefoonnummer; dat weiger je; en vervolgens houdt het gezeur niet op. Waarom mag ik je telefoonnummer niet? Ahhh. Toe nou! Geef me één reden waarom niet. Dan is er één methode die altijd werkt: 'Mijn boyfriend wil dat absoluut niet hebben', zeg ik. 'En mijn boyfriend komt uit Chatsworth.' Dat doet het. Niemand wil ruzie met een gast uit Chatsworth. Afgelopen met de toenaderingen.

zaterdag 19 september 2009

Multiculti

Donderdag klassieke Indiase dans in de schouwburg, vrijdag hindoegospel in de tempel en zaterdagmorgen om 6 uur live maskanda zingen op Vibe FM, het radiostation van de KwaMashutownship. Multiculti Durban heeft me weer helemaal in zijn greep.

Vreemd genoeg was ik nog nooit in de schouwburg geweest. Het is weer zo'n bizar koloniaal product, ingericht als een Engels openluchttheater: alle muren van de zaal zijn bedekt met driedimensionale buitengevels van 16de-eeuwse Tudorhuizen, inclusief het vakwerk en de geruite ramen met warm licht erachter. Als de lichten gedimd worden voor een voorstelling, verschijnt in het plafond een sterrenzee. Je waant je in Stratford upon Avon op een warme zomeravond.

In het nieuwe Zuid-Afrika wordt er geen Shakespeare meer opgevoerd in het Tudor-decor, maar maskanda of traditionele dans uit Orissa. Nergens is zo zichtbaar hoe koloniale ruimte teruggeclaimd wordt. Door de vakwerken galerijen langs de foyer schreden donderdagavond Indiase dames met lange sari's. En tussen de Tudorramen gaven de danseressen uit Orissa zich met verfijnde hand-, hoofd- en voetbewegingen over aan Krishna. In Afrika.

De hele Indiase elite was uitgelopen om de voorstelling te zien en tot Mageshens grote ongenoegen waren we zichtbaar underdressed. Voor Indiërs in Zuid-Afrika zijn voorstellingen als deze de enige gelegenheden waarop ze het volle ornaat van sari's, punjabi's en Indiase sieraden aantrekken, legde hij me uit, en daarom worden kosten noch moeite gespaard om er piekfijn uit te zien.

Vrijdag was volkomen anders. Er was veel volk afgekomen op de 'Indian Symphony'. Het parkeerterrein bij de Hindoetempel waar het optreden plaatsvond was helemaal vol. Mageshen stuurde zijn SUV de stoep op en parkeerde in het gras. 'Krijgen we nu geen bon?' vroeg ik. 'Natuurlijk niet' riep Nishlyn. 'In India krijg je toch ook geen bon?'. 'Jamaar we zijn hier toch niet in India.' zei ik. 'Nu wel' zei Nishlyn stellig. Ik keek hem verbaasd aan. Ik loop toch al een aantal maanden mee in de Indiase gemeenschap hier en er zijn zoveel verschillen met India dat ik dat niet zou durven beweren.

Maar eenmaal in de tempel was het wel heel erg India. Ik was - net als donderdag in de schouwburg trouwens - de enige witte en ik kreeg erg veel bekijks. Het concert was vreselijk. We hadden ons verheugd op een vrolijke Bollywoodstrijkersbatterij, maar de Symphonybezetting kwam uit een synthesizer. Er was 1 violist en 1 zanger met een afgrijselijke stem en de versterking stond zo hard dat je niet meer wist of je de viool hoorde of de krasstem. Net als de bioscoop in het Indiase Varanasi, waar Emile en ik enkele jaren geleden een Bollywoodfilm wilden bekijken.

Dus Mageshen en Nishlyn gingen grappen maken. Pagahindi, smaalde Mageshen over de violist. Ik durfde niet te lachen. Ik zat al zo oneerbiedig met mijn vingers in mijn oren en ik voelde me als een reusachtige oplichtende vuurtoren tussen al die Indiërs. Na vijf nummers verlieten we met piepende oren de tempel en maakten ons op voor een early night, want de volgende dag moest ik om 4 uur opstaan om om 6 uur in de studio in KwaMashu te zitten.

Selby kwam me om 5 uur halen en toen we om half 6 de township binnenreden, kwam net de zon op. Het was een frisse heldere morgen na dagen plenzende regen. Kinderen waren buiten aan het baaien, want de meeste townshiphuizen zijn nog steeds 1 kamer groot met een dakje en een erfje eromheen. Zwarte natte glimmende kinderlijfjes in de ochtendzon. Ik vroeg me af waarom een dergelijk beeld zo tot de verbeelding spreekt - bekijk elke documentaire over Afrika, en je ziet het - want er is toch weinig vrolijks aan. Maar misschien doe ik wel te moeilijk over exotisme, nu ik zelf niet meer zo goed weet waar ik thuis hoor. Mooie lijven zijn nu eenmaal mooie lijven.

Vibe FM is een klein radiostationnetje in het KwaMashu Arts Centre, waar ik enkele weken geleden ook was. Relaxed maar goed geörganiseerd, presentatie helemaal in Zoeloe, 70% locale muziek, een keur aan artiesten uit de gemeenschap te gast, en veel bellers uit de township.

Beantwoord ik aan het profiel van locale artiest? De presentator vond van wel. Wanneer kwam mijn eerste maskanda-album uit? Het was natuurlijk een grap, maar ook weer niet helemaal. Hij had me immers zien dansen in het BAT Centre, dus ik moest een stukje zingen, en dat deed ik, en ik kreeg prompt idolate bellers aan de lijn. Ngiyabonga kakhulu.

Daarna uitgelegd dat ik in aard en capaciteiten geen performer ben, maar dat ik wel van plan ben een boek te schrijven over maskanda. Dat was mooi. Ik kreeg een huwelijksaanzoek in Zoeloe. Daar moet wel lobola (bruidschat in koeien) tegenover staan, vond ik. Hoeveel koeien? Nou, 100 ofzo. HONDERD?!?!?! Hoe ging ik die dan mee naar Nederland nemen? Tja, euhm, in het vliegtuig? Enz, enz.

Maar de jongens van het radiostation weten verdomd veel van maskanda en na afloop heb ik hun geïnterviewd en een paar waardevolle data voor maskandafestivals, -audities, en -competeties van ze gekregen. Zo komen we telkens een stukje verder.

dinsdag 15 september 2009

Ubuntu ungamntu ngabanye abantu

Ubuntu is een politiek beladen modewoord in het nieuwe Zuid-Afrika en het is ontleend aan bovenstaand Xhosa spreekwoord: een mens is een mens door andere mensen. Daar zitten vele ethische en filosofische kanten aan. En daarom wordt het vaak gekaapt door politici die hun macht op een of andere wijze willen legitimeren. Menselijkheid is iets universeels, maar door te impliceren dat alleen mensen uit Afrika weten wat ubuntu is, wordt het weer een middel om de ene groep mensen van de andere af te scheiden.

Ik interpreteer ubuntu als inlevingsvermogen. Als ik een griepje heb, dan hopen mijn Zoeloevrienden dat ik snel weer beter ben, want als ik ziek ben dan zijn zij ook ziek. Dat klinkt nogal overdreven, maar dat is het niet. Is inlevingsvermogen immers niet gebaseerd op het vermogen te voelen wat een ander voelt? Precies op dat moment? Je roept het ziekzijngevoel op. Je bent heel even ziek om te weten hoe ziek zijn ook al weer voelde en hoe vervelend dat is.

Maar ubuntu is niet altijd zo eenvoudig, zeker niet in een kapitalistische maatschappij met zielloze ruilmiddelen. Als mijn Zoeloevrienden platzak zijn, dan kan ik die ervaring gemakkelijk oproepen. Ik ben zelf lang genoeg platzak geweest, al was het nooit zo erg als zij dat zijn. Maar worden wij allemaal minder platzak als ik ze geld ga geven? Ik dacht het niet. Maar ik kan ook niet uitleggen dat ik geld geven niet goed vind voor onze vriendschap. Vanuit het ubuntuperspectief slaat dat helemaal nergens op. En als je een beetje inlevingsvermogen hebt dan snap je dat ook wel weer.

Dus ik schipper wat tussen ubuntu en Hollandse krenterigheid. Ik betaal voor muzieklessen, waarschijnlijk teveel. Ik ben scheutig met een lift naar huis of samen lunchen of een bijdrage voor een neef die na een ongeluk in het ziekenhuis is beland. Maar soms moet ik "nee" zeggen en dat is ontzettend pijnlijk.

Hoezeer dit geschipper mijn relatie met sommige van mijn kennissen bepaalt, realiseerde ik me toen ik maandag - samen met een collega van de universiteit - een interview had met Phuzekhemisi. Phuzekhemisi is een maskandamusicus die het helemaal gemaakt heeft. Zijn nieuwste album heeft alweer platinumstatus bereikt. Hij maakt elk jaar toernees naar Europa en Canada. Hij kan zijn hele clan met gemak onderhouden.

Het gesprek verliep vele malen makkelijker dan de gesprekken die ik met andere musici heb gehad. Eerst dacht ik dat dat kwam omdat hij behoorlijk goed Engels spreekt, maar het kwam nog door iets anders. Het was vanaf het begin volkomen duidelijk dat hij ons niet nodig had. Hij verleende ons een gunst door ons te woord te staan. Hij was toeschietelijk en benaderbaar, maar hij hoefde niets van ons. Er was even geen ubuntuverplichting. Gewoon zakelijkheid. Pffffff.

Of toch wel? Halverwege het interview liep er een bedelares langs onze tafel. Ze had een bord in haar hand waar in Zoeloe en onbegrijpelijk Engels een hulpkreet was geschreven. Ze begon in Zoeloe tegen Phuzekhemisi te praten en hij trok zonder aarzeling een stapel bankbiljetten uit z'n broekzak en gaf haar 20 rand (2 euro). Dat is veel: een parkeerwacht geef je doorgaans 2 rand.

Mijn collega en ik waren in verwarring. Wij zijn gewend bedelaars te negeren. Onze filosofie is: als je elke bedelaar die je tegenkomt geld gaat geven dan voed je bedelgedrag met alle malafide praktijken die daar achter kunnen zitten. Mooi beargumenteerd, maar nu stonden we met onze mond vol tanden (of onze billen bloot) en toen de verwarring voorbij was, was de bedelares al doorgelopen.

We stonden er mooi op: alle vooroordelen over witten weer bevestigd. Phuzekhemisi was zichtbaar geshockeerd. Gedurende een aantal lange minuten ontweek hij onze ogen als hij onze vragen beantwoordde en pas tegen het einde van het gesprek ontdooide hij een beetje.

Ik voelde me de hele verdere dag een ontzettende vrek. Ik had een lesje ubuntu gehad. Het was Phuzekhemisi geweest die mijn inlevingsvermogen had aangesproken, omdat hij qua machtspositie mijn gelijke is. Als hij er niet geweest was, hadden mijn collega en ik de bedelares misschien niet eens gezien, laat staan onthouden. En ubuntu gaat nu juist over een inlevingsvermogen dat niet selectief is.

maandag 14 september 2009

Verhaal

Als ik Mageshen in het Engels uit mijn blog voorlees, voelen we ons allebei ongemakkelijk. Geen woord van wat ik heb neergeschreven is gelogen, maar bij het schrijven maak je keuzes. Je maakt er een verhaal van, dus je laat dingen weg en de zaken die je het meeste opvallen geef je de meeste aandacht. Anders is het niet leuk om te lezen. Mageshen herkent zich niet altijd in de punten die ik aandacht geef. En als ik het aan hem voorlees dan snap ik dondersgoed waarom.

Zaterdag waren we uitgenodigd voor een afscheidsbraai in Isipingo. Een van Mageshens vrienden gaat voor een half jaar naar het buitenland. Leuk, een feessie in de township. Bij een grote Indiase familie: kakelende tantes, krijsende kinderen, stoerdoenerige ooms en eten voor een hele legerkazerne. Achter het huis, met uitzicht op de zee, zaten we onder een overkoepeling lekker te eten in de schaduw. Oma had het hoogste woord en schiep er genoegen in om ieder van haar uit de kluiten gewassen kleinzoons stevig de les te lezen.

Ik kan er op twee manieren over schrijven, die elkaar eigenlijk een beetje uitsluiten, tenzij ik ze expliciet maak. Ik kan schrijven over het exotistische gevoel weer eens de enige witte te zijn met extra aandacht voor en van alle broers, zussen, neven, nichten en stoere townshipmakkers. Ik kan ook schrijven over de gevoelens van herkenning om op een zonnige dag met een familie in de tuin te zitten eten.

Iedereen deed erg zijn best me op mijn gemak te laten voelen. ‘Trek je maar niets aan van al die door elkaar kakelende mensen hoor’, zei een vrouw van mijn leeftijd naast me. ‘Zo gaat dat nu eenmaal in Indiase families.’

‘Oh, maar zo gaat het in mijn familie ook’, antwoordde ik haar. ‘Als mijn oma jarig was in de zomer, dan zaten we met de hele familie onder een grote oude boom te eten. Het eten was altijd veels- en veels- en veelsteveel. De kinderen stampten overal doorheen met voetballen, waterslangen en dolle achtervolgingen in wisselende kongsi's, net als deze kinderen. En aan kakelende tantes hadden we ook geen gebrek.’ (Sorry tantes, ik weet dat jullie meelezen, maar jullie kunnen het vast wel hebben van mij…).

‘Oh, goh’, zei de vrouw naast me. Maar toen kon ik het toch niet laten een beetje te gaan exotiseren. ‘Mijn familie komt uit Centraal-Europa, zie je’, zei ik, ‘en ze hebben een groot deel van hun leven in Indonesië doorgebracht. Vandaar.’ Het is waar, maar het is ook weer niet helemaal waar, want slechts mijn halve familie komt uit Centraal-Europa; de andere helft komt gewoon uit Nederland. En Hollandse families zitten ook graag in de zomer onder een boom te eten met krijsende kinderen en kakelende tantes. Of je nou in Isipingo zit of Breda.

zondag 6 september 2009

Gitaarles

Over dansen en rappen is het leuk bloggen, zeker als je foto’s hebt, maar ik werk natuurlijk niet alleen maar met Abagqugquzeli. Veel meer directe informatie krijg ik van mensen om de musici heen: producers, managers, mensen van de omroep, mede-academici, archivarissen.

Maar ingevoerd raken in de muziek is enorm belangrijk om muzikale kenmerken op een zinvolle manier met sociale en culturele te verbinden. Sommige zaken kun je zelfs alleen horen als je zelf speelt of zingt. Maskanda is heterofone muziek en de veellagigheid ervan leer je alleen goed horen (en appreciëren) als je met een basisriff begint en gaandeweg steeds meer omspelingen leert.

Dat is precies wat ik leer van Shiyani Ngcobo. Zo extrovert en energiek het dansen met Abagqugquzeli is, zo introvert en verstild zijn de riffjes die ik van uBaba uShiyani leer.

Shiyani is een belangrijke informant voor mij, omdat hij veel buiten Afrika opgetreden heeft. Hij heeft op verschillende internationale wereldmuziekfestivals gespeeld, hij maakte een cd in Engeland (Introducing Shiyani Ngcobo, World Music Network 2004) en trad in 2007 op in New Yorks Carnegie Hall.

Toch is Shiyani’s internationale blootstelling betrekkelijk. Vorige week kwam hij met een brief van World Music Network aanzetten met de vraag of ik hem kon uitleggen wat erin stond. Ik moest hem vertellen dat hij dit jaar helemaal geen royalties krijgt omdat er dit jaar geen cd’s verkocht zijn. Potverdikkeme. Allemaal even op de link klikken jongens en kopen, die cd. Ziehier hoe een wetenschapper weer eens in haar eigen onderzoek ingrijpt. Onderzoek ik internationale exposure en is die er niet? Dan maken we die toch gewoon…?

Maar praten over dat soort dingen doen we vooral als we een tolk kunnen vinden. Mijn Zoeloe is nog basaler dan zijn Engels en de muzieklessen zijn van een middel om hem te spreken te krijgen een doel op zich geworden.

Shiyani speelt nog het soort maskanda dat aan het begin van de twintigste eeuw gespeeld werd: een man loopt van zijn huis naar zijn werk, een tocht die wel een dag kan duren en om de tijd een beetje door te komen speelt hij op zijn gitaar. Zijn lied is een verhaal, een klaagzang en een zelfprijzing ineen en kan net zolang duren als zijn tocht.

Shiyani’s riffs lijken eenvoudig, een dalend tetrachord, bijvoorbeeld, met parallelle octaven, kwarten en tertsen. Shiyani speelt me het voor en ik probeer mee te komen. Gebrekkig Zoeloe en gebrekkig Engels zijn niet meer nodig. We hoeven alleen maar ‘kulungile’ (ok) of ‘try again’ te verstaan. Ik vind het leuk om te ervaren dat muzikale communicatie echt mogelijk is zonder verbale. Bij muzieklessen in Nederland of Engeland heb je dat niet door, want je blijft toch wel doorkletsen over die muziek. Met Shiyani merk ik dat woorden echt niet nodig zijn om elkaar muzikaal te begrijpen.

Bij maskanda gaat het niet zozeer om virtuositeit (hoewel Shiyani in zijn versies van zijn songs behoorlijk virtuoos kan zijn); het gaat er vooral om dat je zo’n riffje van vijf noten wel een kwartier kan blijven spelen en tempo kan houden. Net zoals dat vroeger ging. Als dat lukt en ik al mijn posities met links op hetzelfde moment kan wisselen als mijn snaren met rechts, dan is dat geweldig, want je komt in een soort groove terecht en als je daar eenmaal inzit, begint Shiyani zachtjes te zingen.

En dan is het hele leven gewoon even helemaal goed.

maandag 31 augustus 2009

Zoeloedans

Een Zoeloedans. Wat is dat eigenlijk? Je been gestrekt de lucht in slingeren en met een klap neer laten komen. Opspringen en plat op je billen landen. Over de grond tijgeren alsof je bezeten bent (en soms ben je dat ook).

Maar er is meer dat niet zo makkelijk in woorden te vatten is: armen die weten wat ze moeten doen als benen zus bewegen. Vier hoofden die synchroon naar links of rechts kijken. Allemaal dingen die ik helemaal niet kan. Gelukkig kan ik wel zingen.

Dus ik heb me laten verleiden om op een podium met een uitzinnig publiek van 200 man/vrouw met een Zoeloeband op te treden. Een hele dag maskandabands, allemaal in Zoeloeklederdracht en allemaal met een line-up van twee gitaren, basgitaar en drums en een geluidssysteem dat tot over de pijngrens van je gehoor gaat.

Het hele publiek deed mee; kwam geregeld zelf het podium op om een dansje te doen. Meezingen. Meeschreeuwen. Ululeren – dat klinkt heel vunzig, maar dat is gewoon een soort jodelen.

Er waren wel tien bands en niet toevalligerwijs waren wij de laatste, na een hele middag raggen en dansen. Ik werd na het eerste liedje van onze band het podium opgeroepen; als een spits voor de laatste ultieme minuten van een voetbalwedstrijd. Ik ben alleen geen spits. Niet in karakter en niet in capaciteiten. Dus dat was peentjes zweten daar achter dat gordijn.


Gelukkig hadden we met zijn allen even gebeden van tevoren.


Dat had ik wel nodig. En daarna dus gewoon maar meedoen. Opkomen en gaan met die banaan.






En iedereen vond het prachtig. Ik ook eigenlijk.







Integratie

Zaterdag waren Mageshen en ik in Eshowe, zo’n 150 km ten noorden van Durban, in het hart van het Zoeloekoninkrijk. Het is een prachtig heuvelgebied met zachtgroene suikerrietvelden die ondanks hun onplezierige geschiedenis lieflijk in de wind ruisen. Af en toe zie je een rond kleien hutje met een rieten dak en een koe en een paar kippen ernaast. Toooktoktok. Het gemoedelijke dorpsleven dat elke Zoeloe als het utopische pre-industriële verleden beschouwt. Geen uitbuiting maar gemeenschapszin. Geen ontheemding maar warme geborgen familiebanden. Totdat the white man de boel kwam verpesten.

In Eshowe is een museum in een oud Brits fort, een houten luchtbrug door de toppen van een bos naar een uitkijktoren




en een oud hotelletje waar ze excursies naar Zoeloedorpen organiseren.

We waren wat laat. De excursie was al vertrokken, maar misschien kon de dame die ze organiseerde ons nog wel ergens op komen pikken. Wij streken neer op de veranda en snoven het buitenleven op. Als townshipknul heeft Mageshen het niet zo op natuur. Er gebuert nooit wat, je krijgt modder op je schoenen en zand in je eten, als dat eten al te krijgen is. Maar op zo’n veranda is het lekker toeven.



In het hotel was een bar naar Brits model waar rugby gekeken werd. Een verzameling gedrongen Afrikaner rednecks zat onder luid gebral stevig aan het bier. In het zaaltje ernaast vond een vergadering plaats van de plaatselijke ANC partijbonzen, het type lagere ambtenaar dat vindt dat de wereld nu van hun is.

Af en toe kwamen mensen van beide groepen op de veranda een sigaretje roken, maar je zag ze nooit tegelijkertijd naar buiten komen, alsof er een ongeschreven code was. Wat een segregatie weer, was mijn eerste reactie. Maar Mageshen was het daar niet mee eens. Hoeveel Marokkanen en Surinamers zitten er op jouw universiteit, vroeg hij me. Niet veel, moest ik toegeven. Wat dat betreft is het in de Universiteit van KwaZulu-Natal beter geregeld. Daar zie je alle bevolkingsgroepen vertegenwoordigd, ookal socialiseren ze nog steeds gescheiden. Het gaat om zichtbaarheid, zei Mageshen. In dit hotel zie je hoe gesegrereerd de groepen zijn, maar ze zijn in feite meer geïntegreerd dan in jouw land, want daar zie je ze nooit samen in een gebouw.

zaterdag 22 augustus 2009

Voorvaderen

Dinsdag was ik in KwaMashu, een grote township 18 km ten noorden van Durban. Een van mijn contacten bereidt daar een muziektheaterproductie voor: verschilllende ‘traditionele’ Zoeloe muziek- en danstradities (waaronder maskanda) gecombineerd met eigentijdse muziek en dans en een educatieve boodschap voor de jeugd. Eind deze maand gaat de productie in première in het KwaMashu Arts Centre, ook weer een soort Theater Kikker, maar dan van de township.

Het is het veiligst om met een betrouwbare insider op stap te gaan: met Mageshen naar Chatsworth of Isipingo, met Skho shoppen in Warwick Triangle en met Selby naar KwaMashu. Hij is er opgegroeid en verhuurt zijn ouderlijk huis nu aan een achterneef.

Aan de townships zie je eigenlijk het best hoezeer Zuid-Afrika een land in transitie is. Als ik met Mageshen naar zijn moeder in Chatsworth rijd, kunnen we twee routes nemen: hetzij met een omweg over een hoofdweg, hetzij binnendoor. De hoofdweg is met een grote boog om een voorheen ‘blank’ woongebied heengelegd; de Indiërs moesten maar een kwartiertje omrijden om bij hun huis te komen. De route binnendoor gaat door dat blanke woongebied. Daar mochten Indiërs vroeger sowieso niet komen (dus ze moesten omrijden) en de wijken zijn nog immer van elkaar afgeschermd door grote stukken braakliggend land. De hele infrastructuur was ingesteld op segregatie.

Zo ook in KwaMashu. Sommige huizen zijn nieuw, andere zijn op de karakteristieke townshipmanier uitgebouwd, er is water en elektriciteit, de wegen zijn geasfalteerd, maar de indeling is nog als vroeger. ‘Links zie je Sectie B’, zegt Selby zonder zichtbaar onbehagen, ‘en rechts: dat is heeeelemaal Sectie D. En als we het kruispunt over zijn, rijden we Sectie C binnen.’ Ik vind het akelig: geen namen, maar letters voor je woonwijk. Ik krijg er concentratiekampassociaties bij, helemaal als je bedenkt dat Sectie C voor het grootste deel uit ‘hostels’ bestaat: barakken waar de allerarmsten wonen.


Maar het Arts Centre (www.kcap.co.za) is in Sectie B, bovenop een heuvel. Het is er levendig en gezellig; de muren zijn beschilderd met legale graffiti, er repeteren minstens twee lawaaiige maskandabands tegelijkertijd, en je kunt er uiterst smakelijke traditionele Zoeloe bonenprut eten. Waarom heb ik deze plek niet eerder ontdekt?

Ik interview mijn informant over haar productie voordat we een doorloop van het hele stuk gaan bijwonen. Ze vertelt dat niet iedereen aan de doorloop kan deelnemen. Een van de acteurs/dansers/musici is gisteren ziek naar huis gegaan omdat hij tijdens het dansen een ‘calling’ van een voorvader kreeg. Alle acteurs, vertelt ze me, hebben de gave met voorvaderen in contact te treden en dat brengt zekere risico’s met zich mee. De acteurs durven bepaalde muziekinstrumenten niet te gebruiken omdat ze dan bezeten kunnen raken en er niet altijd onmiddellijk uitkomen. Ook kunnen voorvaderen ontstemd raken als muziekinstrumenten voor ongeëigende gelegenheden gebruikt worden. En dansen kan sowieso leiden tot bezetenheid door een voorvader.

‘Waarom moet alles via de voorvaderen gaan’, verzucht ze. ‘Voorvaderen hebben issues, net als mensen. Ze zijn soms jaloers of knorrig en dan heb je de poppen aan het dansen. Ik wou dat dit soort zaken gewoon via God geregeld zou kunnen worden, als mediator, weet je wel.’ ‘Ja’, beaam ik, ‘soms zou je willen dat de zaken in de mensenwereld ook gewoon door een mediator geregeld zouden kunnen worden in plaats van door al die mensen met hun issues.’ Daar moeten we samen erg om lachen.

We wonen de productie bij, we eten lekkere bonen voor de lunch, maken foto’s, en wisselen adressen uit van andere informanten. Selby's ouderlijk huis, ook in Sectie B, blijkt een perfecte overnachtingsmogelijkheid voor de acteurs die uit Johannesburg komen. Hij regelt met mijn informant dat hij het ook in de toekomst aan haar kan verhuren. Als we weer in de auto terug naar Glenwood zitten, zijn Selby en ik in een opperbest humeur. Ik heb nieuw materiaal en nieuwe contacten. Selby heeft een goedbetaalde taxirit, een Zoeloeshow met lunch, en een nieuwe bron van inkomsten. De voorvaderen zijn ons kennelijk niet ongunstig gestemd.

Podiumvrees

Ik was vergeten hoeveel tijd het kost om veldwerk op te zetten. Pas sinds een paar weken heb ik een beetje het gevoel dat mijn verblijf hier vruchten afwerpt.

Eindelijk spreek ik mensen die ik wil spreken. Eindelijk opent mijn basale beheersing van de Zoeloetaal deuren die anders gesloten zouden blijven. Eindelijk begin ik een groter plaatje te zien met muzikale kenmerken, een geloofsysteem met geesten en voorvaderen, en een cultureel-politieke identiteitsconstructie in een globaliserend Zuid-Afrika.

Het wordt er allemaal niet minder gecompliceerd van, maar ik weet geleidelijk aan hoe ik me door de soep moet heen bewegen.

Omdat ik wekelijks les heb van verschillende maskandi en daardoor zowel gitaar speel, als zing, rap en dans, hoor ik van alles in de muziek wat ik voorheen niet hoorde. Ritmische veellagigheid, groove, variaties op liedvormen, een specifiek ‘gedrukt’ stemgeluid met een herkenbare ‘maskandasound’. En maskanda ‘doen’ is net zoiets als Zoeloe spreken: het leidt tot ongelooflijk veel goodwill. Iedereen wil je helpen.

Dus na maanden aandringen heeft Skho haar zin: volgende week ga ik met haar optreden in het BAT Centre. Ik ga met een paar eenvoudige danspasjes op de achtergrond meeswingen, ik ga een aantal songs meezingen, en ik heb mijn eigen izibongo (gerapte zelfprijzing van de maskandamusicus) die ik met verve in Zoeloe de zaal in zal moeten slingeren:

Mina gingu Barbara, Titus isibongo.
Ubaba wami uMilan kanti umawami uMartha.
Ngivela le! Kude kwendawo engenaNtaba, eHolland.
Umfulo engiwuphuzayo iVecht.
Hlala lapho ukhona ubone ukuthi ngizokwenzelani manje.
WASHA!! Yimi lo!

Ik heet Barbara, Titus is mijn afkomst.
Mijn vader is Milan en mijn moeder is Martha.
Ik kom van ver! Daar waar geen bergen zijn, uit Holland.
De rivier waaruit ik drink is de Vecht.
Blijf waar je bent en kijk wat ik nu ga doen.
WASHA!! Dit ben ik!


Dus van de koudwatervrees ben ik nu in de podiumvrees beland: ik schijt peentjes. Vooral omdat het geheel in Zoeloe-oufit moet gebeuren. Barbara gaat in een kort geel rokje, een mouwloos topje met veel kraaltjes, haarbanden, armbanden en halskettingen het podium op. Mageshen heeft er gemengde gevoelens bij: kunnen die Zoeloes ook onder dat rokje kijken als ik sta te dansen?

Maar Skho’s volgende uitvoering – en jij gaat daar ook zingen, zegt ze streng, want we hebben nu een outfit voor je – is op een festival waar een groot deel van de mensen optreedt die ik al weken te pakken wil krijgen: Busi Mhlongo, Phuzekhemisi. Een niet te missen kans.

Dus gisteren gingen Skho en ik saampjes shoppen: witte schoenen, kraaltjes, topje. Eindelijk uit die verdomde shopping malls in de open lucht nabij Warwick Triangle. Mageshen mag het dan gevaarlijk vinden; voor mij is het gewoon de Jalan Malioboro: schaduwrijke galerijen met de ene gezellige rommelwinkel na de andere, een blèrende moskee op de hoek (het was immers vrijdag), en alleraardigste mensen die zonder enige opdringerigheid een praatje beginnen. Ik ben op onze shoppingtoer drie andere witten tegengekomen, overduidelijk toeristen.

Nieuwe apartheid, als je het mij vraagt…

zondag 16 augustus 2009

Gemengd

Gisteren, tijdens een tochtje naar de kust ten zuiden van Durban, kwamen Mageshen en ik weer even in contact met het ‘oude’ Zuid-Afrika. Op weg naar het strand stonden we op een tweebaansweg te wachten voor een rood stoplicht. De weg voor ons ging een steile heuvel op en bovenop de heuvel gingen de twee banen over in één.

Naast ons stopte een oud bakkie: een roestige volkswagen pick-up. Achter het stuur zat een stevige Afrikaner met een baard en een sigaret in zijn mondhoek. Hij keek opzij, zag ons, en staarde… Zijn sigaret viel bijna uit zijn mond en hij deed geen moeite zijn afgrijzen te verbergen. En we wisten alledrie waar dat afgrijzen over ging.

Het is niet voor het eerst dat witte Zuid-Afrikanen naar ons staren. Meestal kijken ze mij indringend en bezorgd in de ogen. Het kan toch niet zo zijn dat ik uit vrije wil naast een donkere man in de auto zit. Misschien heb ik hulp nodig. Een dergelijke opstelling komt niet noodzakelijkerwijs voort uit racisme. Er zijn genoeg gevallen bekend van zwarte mannen die witte vrouwen ontvoeren, te grazen nemen, verkrachten en vermoorden. Het omgekeerde komt ongetwijfeld ook voor, maar je hoort er niet vaak over.

Het is ook interessant om te zien hoe weinig gemengde stellen hier rondlopen. Als we een gemengd stel zien, dan is het in de meeste gevallen een Indiaas-witte combi of soms een zwart-witte combi. Een zwart-Indiase combinatie zie je vrijwel nooit, terwijl er toch 3 miljoen Indiërs in Durban wonen. En in veel gevallen is de witte partner van het stel een buitenlander, zelden een Zuid-Afrikaan. Ik ben er extra op gaan letten, ook al pretendeer ik niet een statistiek te kunnen geven…

Maar deze meneer was duidelijk niet bezorgd om mij. Ik keek verschrikkelijk vuil terug en had zin om hem in het Nederlands aan te spreken: ‘Hé, dikke eikel, wat zit je te kijken?’ Maar het licht sprong op groen en Mageshen trok op. Hij blijft er stoicijns onder.

Terwijl we de heuvel opreden, hoorden we een knetterend geraas achter ons. We keken achterom en zagen hoe de Afrikaner zijn roestige bakkie zo hard op zijn staart trapte dat hij Mageshens reusachtige, benzineslurpende townshipSUV zou kunnen inhalen voordat de twee rijbanen één zouden worden en hij ons tot aan het strand voor zijn neus zou moeten gedogen.

Wellicht hoopte hij ook dat Mageshen in zou zijn voor wat ‘road rage’ en ook de heuvel op zou racen om als eerste boven te zijn, maar Mageshen liet hem met een gracieus gebaar voorgaan en we schaterden het uit. Wat fijn dat dat nu kan; dat is niet altijd zo geweest.

A Hundred Stars

Zuid-Afrika wordt doorgaans in verband gebracht met HIV/Aids. Maar kanker is een goede tweede killer. Naar Amerikaans model was er in Durbans Suncoast Casino een fundraising show geörganiseerd: Night of a 100 Stars. Ik weet niet of we dat in Nederland ook hebben; ik ben bekend met een klassiek benefietconcert, maar dat zal wel te maken hebben met die ivoren toren waar ik mijn hele leven in gezeten heb.

Suncoast Casino is op zichzelf al iets tamelijk bizars. Een reusachtige shopping mall aan het strand die elke avond gehuld is in paars, groen en geel TL-licht dat opdringerig over je netvlies flikkert. Als je de kermispoorten eenmaal gepasseerd bent, loop je door hoge marmeren gangen langs een aaneenrijging van gok- en steaktenten.

Binnen – zoals in zoveel shopping malls – vind je eigenlijk alleen maar Indiërs. Er zijn mooie sociologische verklaringen voor te vinden: mensen die voorheen niet veel te besteden hadden, maar nu wel, vinden een omgeving met veel winkels per definitie niet vervelend. Witten hebben een zuipcultuur, dus die zitten zich op hun vrije avond in een café vol te gieten, terwijl Indiërs niet zuipen en dus met het hele gezin ijsjes eten onder paars kunstlicht en tussendoor shooter games spelen.

[Ik weet er nu alles van, want als aanhang van een Indiër ruil ik het café ook op gezette tijden eens in voor de ijsjes, shooter games en het paarse kunstlicht, maar ik houd het niet heel lang vol.]

The Night of a 100 Stars was een verlengstuk van Suncoast Casino: een feesttent met zwarte satijnen bekleding, plastic kroonluchters, een gemoedelijk klonkerende snare drum band, steltlopers, vuurspuwers en… een hele hoop Indiërs.

De show werd verzorgd door soapsterren, een aantal erg goede cabaretiers, een plaatselijke rapbekendheid, popzangers en een popband met Mageshen en zijn makkers. Hij is een van Zuid-Afrika’s beste jazzgitaristen. ‘Maar ik kan ook hartstikke goed rocken’, verzekert hij me. ‘Just wait and see.’ Dus ik kon niet wachten hem te zien raggen en janken op zijn gitaar.

Ik zat aan een ontieglijk saaie tafel met allemaal witten, die de show blasé over zich heen lieten komen. Een übernichterige marketingjongen van de schouwburg, een ouder Amerikaans echtpaar en twee domme blondjes van een reclamebureau die – ongelogen – Kelly en Jackie heetten. Ze waren vanavond gewoon aan het werk, antwoordden ze op mijn vraag wat ze hier bracht, en terwijl ze nog een loempia in hun mond schoven, bediscussieerden ze hun nieuwe dieet.

En jij, vroeg ik aan de schouwburgnicht. ‘I am here to support cancer, of course!’ kraaide hij. Wat een slordig taalgebruik voor iemand die kunst met woorden moet zien te verkopen, dacht ik, maar later kwam ik erachter dat het de naam van de Zuid-Afrikaanse kankerbestrijding is die slordig is: CanSA. Dat spreek je hetzelfde uit als cancer. De hele avond klonk het alsof iedereen er was om cancer te steunen. Wat suf.

En ik was er dus om mijn vriendje te zien raggen op zijn gitaar en daarmee was ik de enige die toegaf er te zijn om vermaakt te worden, want daar was de avond voor. Vermaakt worden en daarna geld storten. Het ging niet echt over kanker, want dat is niet vermakelijk. De popzangers zongen vals. De caberetiers waren fantastisch met snijdende, cynische moppen over culturele verschillen, onveiligheid en racisme in Zuid-Afrika, en Mageshen ragde erop los in een Michael Jackson Medley. Ik had een geweldige avond.

En na afloop ‘hanging with the boys’. Wat dat betreft zijn alle musici hetzelfde, klassiek, jazz, pop. Optreden en daarna bier, fastfood en vieze moppen om te ontladen.

Voor het eerst ben ik me bewust van mijn positie daarin. Met mijn vorige musicus boyfriend in Europa was ik nooit de enige aanwezige vrouw na een concert. Als je de Wiener Philharmoniker buiten beschouwing laat, zitten in een symfonieorkest genoeg vrouwen die ook van bier en vieze moppen houden. Maar de jazzwereld is nog grotendeels een mannenwereld en het is buiten Europa minder normaal dat vrouwen alcohol drinken. De aanwezigheid van een vrouw tijdens een ‘boys night out’ verandert de dynamiek volledig. Maar ik ben een moeilijk geval. ‘You’re one of the boys, because you drink beer’ zegt Mageshen. Dat vinden zijn makkers superstoer, maar welke moppen kun je wel en niet tappen? Tja.

maandag 3 augustus 2009

Umfang, Methode und Ziel

Hoe vaak maan ik mijn studenten niet om goede in plaats van suffe vraagstellingen te verzinnen, selectief te zijn in hun keuze van materiaal, meteen te gaan schrijven en er niet mee te wachten tot ze geen tijd meer hebben om het te veranderen. Ik roep het wel tien keer op een dag.

Nu ik zelf onderzoek doe, word ik er weer even aan herinnerd hoe moeilijk dat allemaal is. De kloof tussen theorie en observatie is bij mij altijd nogal gapend geweest. Ik vind het heerlijk om theorieën te verzinnen, en ik vind bestaande methodologieën om observatie en theorie bij elkaar te brengen altijd knellend, dus ik lap ze nogal eens aan mijn laars. Dat is zowel een kracht als een zwakte. En het krijgt een extra urgentie als je met levende mensen werkt in plaats van met boeken.

Het begon al meteen bij aankomst. Natuurlijk wil ik mijn informanten van vorig jaar ook dit jaar weer spreken. Maar is het eigenlijk wel nodig? Hoe definieer ik mijn relatie met hen als ik zoveel moeite heb ze uit te leggen wat ik wil met de informatie die ze me geven? Met andere woorden: hoe verhouden de theorieën die ik wil behandelen (en bekritiseren) zich tot de levende mensen met wie ik werk? Soms ga je dingen observeren omdat ze je van pas komen. Elke wetenschapper worstelt daarmee.

Daarom wachtte ik er lang mee contact op te nemen met Shko Miya en haar maskandagroep Abagqugquzeli. Ik wil wat van hen, zij willen wat van mij. Maar door de ongelijkheid in de wereld, waar we geen van allen iets aan kunnen doen, en door culturele verschillen, kunnen we maar niet gelijk oversteken.

De leden van Abagqugquzeli interpreteren mijn interesse voor hen als een motivatie mijnerzijds om hun beroemd te maken, ookal ontken ik dat keer op keer. Waarvoor heb ik anders al die informatie nodig? Ik ben een witte. Ik heb alles in de wereld: geld, contacten, mobiliteit, communicatiemiddelen.

Ook vinden ze – in overeenstemming met de Afrikaanse participatie-ideologie – dat ik gewoon mee moet doen als ik zonodig moet weten wat ze muzikaal aan het doen zijn. En bovendien trekt een witte in je Zoeloeband volle zalen, dus met minimale moeite voor mij kan ik hen een full house (en minstens een maand huur) bezorgen.

Waarom doe ik dat dan niet gewoon? Ik wil wel dansen en zingen, maar alleen op repetities. Ik blijf maar weigeren om mee te doen aan een uitvoering: een Zoeloerokje aan te trekken, bellen om mijn enkels te binden, en in het BAT Centre met mijn heupen te gaan wiegen.

En ik blijf maar vragen om gesprekken en informatie. Hoe maken ze hun liedjes? Waar gaan die liedjes over? Wie zit er achter het album dat ze enkele maanden geleden in een studio in Johannesburg opgenomen hebben? Van wie heeft Skho haar muzikale vaardigheden geleerd? Waarom is het zo belangrijk voor haar om een Zoeloeboodschap over te brengen?

Sinds een paar weken ben ik weer in contact met Abagqugquzeli. Afgelopen vrijdag liep Shko over van vreugde en trots toen ik na een beetje oefenen haar muziek kon zingen. Ze is oprecht geroerd door het feit dat ik de moeite neem om haar muziek te leren, net als haar taal. Die ontroering heeft me aan het denken gezet.

Mijn vraagstelling (daar is ie dan) is om te onderzoeken wat de implicaties zijn van het feit dat maskanda op muzikale wijze een Zoeloeidentiteit uitdraagt naar mensen die geen Zoeloe spreken, buiten Zuid-Afrika wonen, en een muzikaal authenticiteitsideaal in hun hoofd hebben dat past bij Béla Bartók, Indiase raga’s, jazz uit de jaren ’30, en nog veel meer oud spul. Die muzikale representatie bepaalt voor een deel het beeld dat die mensen van Zoeloecultuur hebben en (belangrijker nog) het bepaalt ook het beeld dat veel Zoeloes van zichzelf hebben.

Shko’s niet aflatende pogingen om mij bij haar band te betrekken, doen me beseffen dat haar maskandamuziek nu al opgevoerd wordt voor dat hoogopgeleide Europese publiek dat zo van Bartók, Indiase raga’s en jaren ’30 jazz houdt, ookal reikt Shko’s faam nauwelijks verder dan het BAT Centre. Dat publiek ben ik. Het soort vragen dat ik haar stel, getuigt daarvan. Het bepaalt voor een deel hoe zij haar muziek ervaart en (naar mij toe) presenteert.

Mijn vraagstelling gebeurt dus voor mijn eigen neus en tevens dankzij het feit dat ik mijn neus overal insteek. Ik kijk alleen nog niet systematisch genoeg naar de gevolgen van mijn neuzerigheid. Een potentieel tijdschriftartikel.