zondag 7 september 2008

Vleesch

Het werd toch geen strand, maar een feest bij Pietermaritzburg gisteren. Pietermaritzburg is een aaneenrijging van pompstations en gereformeerde kerken, dus ik wist niet of ik er wel zoveel zin in had. Weer aan lange tafels je bordje rijst leegeten en luisteren naar zelfvoldane sprekers en highschool koortjes. Dat had ik eigenlijk wel een beetje gezien.

Maar Zosukuma scheurde me in zijn zwarte merc met 150 kph naar Pietermaritzburg en daar stonden een paar van zijn luidruchtige hiphopvriendjes ons op te wachten om ons de weg te wijzen. Er zijn geen straatnamen in de dorpen, dus je komt er alleen als je iemand in je auto hebt zitten die weet naar welk huis je moet.

We reden op steeds smallere stoffige landweggetjes de heuvels in, een heel eind voorbij PMB. Ik voelde me lichtelijk ongemakkelijk met al die schreeuwende hiphoppers achterin...

Toen parkeerden we midden in de desa. Want dat was het: hutjes met koeien en kippen en geiten die in het zand wroetten. Een boom waaronder een paar oude mannetjes bier zaten te drinken. Een stevig vuur waaromheen jongere mannen zich warmden. Kinderen die mekaar achterna zaten. Ik was in een andere wereld.

Waar zijn de foto’s van dit landelijke tafereel, zul je denken. Die zijn er niet. ‘Hoe kun je nou je fototoestel vergeten’, riep Zosukuma toen we al op volle vaart op de snelweg zaten. ‘Ik dacht dat we naar het strand gingen’ zei ik en dan kun je echt geen fototoestel meenemen. Zelfs je slippers en je handdoek worden er onder je kont vandaan gestolen.

Geen foto’s dus en al toen we parkeerden, betreurde ik dat ontzettend. Het was zo fotogeniek. We gingen bij een van de huisjes op de stoep zitten, en kregen een bordje rijst met ranja. Ik baarde nogal wat opzien natuurlijk, maar ook Zosukuma was niet gewend aan zoveel aandacht. Hij is eigenlijk toch gewoon een Amerikaan met een Zoeloenaam, die een beetje Zoeloe spreekt (want volgens mij is zijn Zoeloe niet eens zo goed). Dus ik vond zijn positie ook erg interessant.

Veel mannen waren al behoorlijk dronken. De vrouwen zag je niet, die waren binnen bezig met het klaarmaken van de koe die net geslacht was. Dat hadden we gemist, want de koe moet geslacht worden voor de zon achter de heuvels wegzakt en hij was net verdwenen toen we parkeerden.

Het werd donker. In het TL licht voor de hutjes werd gelachen en gepraat zonder dat ik er iets van verstond. We dronken biertjes, we aten stukjes geroosterd vlees van de geslachte koe, meer mensen kwamen ons begroeten. ‘This is my aunt’, ‘this is my grandfather’.

Er was geen programma, het had nog de hele avond zo door kunnen gaan. Misschien gingen we nog wat doen vanavond; misschien ook niet.

Via een sanitaire stop kwam ik bij de vrouwen binnenshuis terecht, en ik kreeg de indruk dat ze zich een beetje verveelden. Mijn binnenkomst werd in ieder geval opgevat als een welkom leven in de brouwerij. We praatten wat en toen gingen we buiten een beetje rondlopen. Weer zonder aanwijsbaar doel. We hoorden tromgeroffel in een hutje verderop. Het was een rond hutje met een rieten dak (je ziet ze ook op de foto die ik van Umkomaas gemaakt heb). ‘Do you want to take a look?’ werd me gevraagd en we gingen naar binnen.

Daar hing de koe die bij zonsondergang geslacht was. In volle bloederige glorie. Zes gevilde stukken hingen aan een balk: ribbenkast, hammen, schouders, darmvel. Op de grond lag zijn kop, en zijn vier poten met hoeven er nog aan. In een blauwe plastic teil dobberden zijn organen.

Naast de koe danste een man op de slagen van een enorme trom die te klein leek voor het minuscule hutje. Het was oorverdovend. Op de grond zaten de dorpelingen, de vrouwen en kinderen aan de ene kant van de danser, de mannen aan de andere kant.

Hierop was het wachten geweest dat geen wachten was. Of misschien is dat alleen mijn teleologische/doelgerichte denkwijze. Misschien was het dansen wel niet gebeurd en hadden we allemaal de hele avond buiten onder het TL licht staan hangen en kletsen. Er waren genoeg mensen die dat bleven doen (onder wie mijn goede vriend Zosukuma). Hij had het al zo vaak gezien.

Maar wij voegden ons bij de vrouwen op de grond en klapten mee op het ritme van de trom. We keken naar het wilde stampen van de danser en naar de stok in zijn hand waarmee hij de stukken koe leek te bezweren.

Op dat moment was ik blij dat ik mijn fototoestel niet bij me had. Ik had alleen maar lopen klikken en dat had een afstand geschapen zonder dat ik maar iets had kunnen vastleggen van de ervaring zelf. Van de lange draden vlees tussen mijn tanden. Van de warme lijven van de vrouwen en kinderen die overal tegen me aan en op mijn schoot zaten. Van het opdwarrelende stof aan de voeten van de danser. Van het geluid van die oorverdovende trom. Van de kleur van het vlees dat gedurende de avond langzaamaan donkerder werd. En van de dikke geur van beestenbloed.

Hoewel mannen en vrouwen gescheiden zaten en de hele avond gescheiden hadden gesocialiseerd, hadden ze in het dansen een volstrekte gelijkwaardigheid. Mannen en vrouwen dansten door elkaar heen met dezelfde passen.

Een mooie indruk van de dans krijg je in de eerste 40 seconden van dit filmpje: http://nl.youtube.com/watch?v=orm26nfxaUQ. Die rare pakjes zijn denk ik voor de toeristen, want de dansers gisteren droegen gewoon een spijkerbroek en een T-shirt. Maar de trom is dezelfde. En je moet vooral goed letten op de uithalen met het gestrekte been.

Terwijl eerst alleen de sangoma (tovernares/orakel/geneesvrouw) en een paar dansers met hoofdtooien dansten, gingen later op de avond ook andere aanwezigen dansen. Om de beurt, want er was weinig ruimte in het minuscule hutje vol mensen.

En het kon niet uitblijven. Ook ik moest eraan geloven. Na 10 keer nee gezegd te hebben, liet ik me onder groot gejuich naar de dansvloer duwen. En ik besloot er voor te gaan. Naast de ribben van de dode koe deed ik de gestrekte-been-pas. Ik had die vaak genoeg gezien want maskandagroepen doen hem ook. Maar ik kan mijn versleten heup natuurlijk lang niet zo hoog optillen als zou moeten.

Toch was het geweldig. Elke keer als je je gestrekte been met kracht op de vloer laat neerkomen geeft de drummer een enorme extra slag op zijn trom. Na een tijdje denk je dat je zelf dat geluid maakt. De menigte was uitzinnig. En ik ook.

De waardering voor mijn deelname bleek uit vanalles. Maar vooral uit het feit dat ik een paar minuten later gehaald werd door een van de meiden omdat grootmoeder me wilde zien. Ik liep met haar mee naar weer een volgend rond hutje, waar vrouwen in een kringetje aan het kletsen waren. Er werden telefoonnummers uitgewisseld want ik MOEST terugkomen en toen, zonder dat duidelijk was dat er iets stond te gebeuren, stonden alle vrouwen op en liepen terug naar de danshut. Ze namen mij aan de hand mee.

Het dansen in de hut was opgehouden. Op de plek waar gedanst was stonden nu twee geiten. Elke geit werd vastgehouden door twee mannen. De een hield hun hoorns vast, de ander hun achterpoten. Het was duidelijk wat er met de geiten ging gebeuren.

Ik weet niet of ik veel keus had gehad, maar ik besloot dat ik het wilde zien. Ik houd van vlees, maar ik heb alleen in een ver verleden van grote afstand in Indonesi├ź iets van een slachting meegekregen.

In Nederland realiseren we ons allang niet meer wat er voor nodig is om vlees te bemachtigen. En de mensheid zou nog steeds de herseninhoud van deze twee arme geitjes hebben als we op een gegeven moment in onze evolutie niet van kevertjes eten waren overgestapt op konijntjes en koeien.

Vegetarisme is een luxe van westerse landen. In een ontwikkelingsland ben je wel gek om een stuk vlees te laten lopen omdat het zielig is. Zitten mijn vegetarisch etende vrienden al op de kast? Ik ben alleen mijn keuze van gisteravond aan het verdedigen hoor.

Er werd gezang aangeheven. De sangoma ontstak kruiden op een schoteltje en hield die onder de koppen van de geitjes. Er werd op een enorme toeter geblazen. De trom hernam zijn monotone roffel.

Ik wilde zien wat er gebeurde, maar de menigte begon uitzinnig te dansen en onttrok het meeste aan het zicht. Ik probeerde dichterbij te komen, maar daarvoor moest ik meedansen en niet omvallen en intussen kijken. Ik kon zien dat de keel van het geitje doorgesneden werd en dat hij daarna omhoog gehouden werd om leeg te bloeden. Toen dat bij beide geiten gebeurd was, ging de menigte weer zitten. De trom hield op. Het werd stil.

Ik geef het toe. Het was een messy bussiness en allerminst snel en pijnloos. Ik meen zelfs (maar weet het niet zeker) dat er nog een geit aan het stuiptrekken was toen het villen al begonnen was. De vloer waar ik nog geen uur geleden mijn blote voeten met klappen had laten neerkomen was nu doordrenkt met bloed. Een van de organen sprong open tijdens het verwijderen en de inhoud spoot in de gezichten van de slachters.

Grootmoeders, dronkelappen, peuters, iedereen keek toe hoe de dieren ontleed werden. Niemand riep ‘Bah wat vies’ of ‘Ahhh wat zielig’, en ik zal je wat vertellen: daardoor was het ook niet vies en niet zielig. Het is maar net wat je zielig vindt. Ooooh, jongens, ik word zo'n afschuwelijke cultuurrelativist...

Maar er hing wel een gewijde sfeer. Het was niet niks. Voor niemand niet. De goden werden nogmaals bedankt. Ngiyabonga. Ngiyabonga. De darmen van de geiten werden geïnspecteerd en daarna om de hoofdtooi van de sangoma gewikkeld. De rest van de geiten werd bij de koe aan de balk gehangen. Dit is wat er voor nodig is om vlees te krijgen, dacht ik. En het is niet niks. Maar het hoort bij een mensenleven.

Als ik ooit nog eens een dictatuur vestig in Nederland, dan stel ik de regel in dat iedereen zoveel vlees mag eten als ie wil, zolang ie het eigenhandig slacht. Dan zijn we in een klap zowel van de bio-industrie als van de dreigende obesitasepidemie af. Ik denk wel dat ik zelf dan voor de rest van mijn leven kip zou moeten eten. Grotere beesten durf ik niet aan. Niet met eigen handen.

1 opmerking:

Dick zei

Ik vond dit bijzonder mooi om te lezen! Ben blij dat je hier nadrukkelijk niet compact hebt geschreven!