maandag 29 september 2008

Onderwijs

Donderdag heb ik Zoeloeles in het isiZulu Department van de universiteit, vrijdag heb ik een maskandadansrepetitie met Abagquzeli en zaterdag maskandagitaarles van Shiyani. Ik leer wat af, hier. En wat aan.

Maar eerst moet ik zelf lesgeven: morgen een college over Hegel voor de masters en overmorgen een college over muziek en nationalisme in het 19de-eeuwse Europa voor de bachelors. Dus nu even pauze in het geflikflooi en hard aan het werk, want van voorbereiden is de afgelopen dagen niet veel terecht gekomen…. Ahum.

De inclusiviteit van UKZN is opvallend. Als ouderwetse historisch musicoloog ben je al snel bezorgd voor versnippering, maar in deze maatschappij moeten nu even gewoon zoveel mogelijk mensen meedoen. En het resultaat is dat er werkelijk van alles is: muziektechnologie, jazzstudies (met Mageshen aan het hoofd), African music and dance, klassieke muziek, noem maar op.

Het fijne vind ik dat muziekvakopleiding en musicologie-opleiding door elkaar heen lopen. Nog meer dan in Oxford. Dat betekent dat je een lekker 'conservatoriumgevoel' krijgt als je door het gebouw loopt. Als musicoloog kijk ik daar nog altijd tegenop. Het echte werk...

En hier is het zo divers. Achter de ene deur hoor je iemand Janaceks 'Op een overwoekerd pad' studeren, achter de volgende deur klinkt maskandarap en weer een deur verder hoor je My Funny Valentine.

Vaak zijn uitgeproken professionele muzikanten ook academici met een doctorsgraad. En veel academici blijven hun carrière lang bezig als uitvoerend musicus.

Kun je ‘onderzoek’ doen als uitvoerend musicus? Blijf je als etnomusicoloog op een podium niet altijd de eeuwige pianopingelende antropoloog? Ook hier leiden die vragen tot verhitte discussies over fondsentoekenning, prioriteitenstelling en intellectuele positionering.

Heerlijk om daar middenin te zitten. Want met mijn achtergrond in Europese muziekgeschiedenis en mijn groeiende kennis van African music and dance pas ik eigenlijk wonderwel in de regenboogvakgroep.

zondag 28 september 2008

Zoen

Vandaag weet ik voor het eerst niet goed waarover ik zal schrijven, ookal is er genoeg om over te schrijven: de stakende schoonmakers die dagelijks in ronkende koren hun protest uitzingen voor de ingang van de shopping mall, het gesprek dat ik met Nishlyn had over een wit en een zwart jongetje die samen aan het schommelen waren, de optredens in het Durban Blues and Jazz Heritage Music Festival (www.bluesandjazz.co.za), waar ik gisteren en vanavond bij aanwezig ben. Maar er zit geen verhaal in.

Hoe komt dat? Op de een of andere wijze voelt het onecht om nu nog met een fris enthousiasme kond te doen van alles wat er op m’n weg ligt. Misschien ben ik na 7 weken Zuid-Afrika wat minder vatbaar geworden voor de bijzonderheden van dit land. Misschien komt het door mijn verliefdheid. Of misschien ben ik al weer een beetje aan het afscheid nemen (over 4 weken weer naar huis :( .

Nou een korte dan, omdat ik toch over niets anders praten kan. Op de terugweg van Johannesburg naar Durban maakten Nishlyn, Mageshen en ik een tussenstop in de Vrystaat, een bolwerk van provinciaal Afrikanerdom. Mageshen gaf me een zoen in het wegrestaurant en Nishlyn gaf een gil. ‘Disgrace’, gilde hij, ‘Indian boy kisses white girl. In the Freestate!’

Het was een grap en we begonnen alle drie te giechelen, maar ik bedacht me met een schok dat het 15 jaar geleden inderdaad verboden was. Wat een waanzinnig idee. En wat een verworvenheid representeert zo’n zoen daarmee voor Zuid-Afrikanen…

vrijdag 26 september 2008

Et in Arcadia ego

Tja, dat script voor een Bollywood road movie... het is aan de lezer om te bepalen of dit er één is. Nishlyn, Mageshen en ik zijn dinsdag naar Johannesburg gereden. 600 kilometer naar het noordwesten, en van zeeniveau in Durban tot 1800 meter hoogte in Joburg. Een prachtige klim. Stunning views.

We hadden geen Bollywoodzender opstaan, want Nishlyn wilde niet dat zijn autoradio gestolen werd. Maar dat werd ruimschoots goedgemaakt doordat Nishlyn en Mageshen het ene popliedje na het andere in functietrappen aan het zingen waren. Een gitarist en een pianist in een auto, dan krijg je dat. Ik moet wat aan mijn poprepertoirekennis gaan doen, verdomme. Dan kan ik meedoen.

Ze zijn een mooi stel. Al jaren hechte vrienden, collega-muzikanten. Tot mijn verbazing was ik meteen al in mijn eerste week in Zuid-Afrika geen derde wiel aan ‘hun’ wagen. Zonder ze goed te kennen deelde ik hun humor, gevoeligheid voor muziek, diepgang in gesprekken, liefde voor boeken en tekstbegrip en woordgrapjes. Dus het was vanzelfsprekend dat we met z’n drieën op stap zouden gaan.

Het is heel grappig om te ondergaan hoe het ‘doel’ van een reis achteraf anders kan zijn dan je dacht, of dan je aan jezelf wilde toegeven. (Misschien geldt dat ook wel voor mijn Zuid-Afrikareis als geheel.) Nishlyn ging naar Joburg omdat hij vrienden wilde opzoeken; ik ging erheen omdat ik er wat informanten moest spreken. Maar – zoals dat gaat – tot op het laatste moment was het onduidelijk of ik ze te pakken kon krijgen. En Magashen had niet echt een reden. Hij ging mee voor de ‘gezelligheid’.

Nishlyn verbleef bij zijn vrienden. Die hadden geen plaats voor drie mensen, dus Mageshen en ik boekten een B&B in de wijk waarin mijn informant woont: Melville. Melville is een soort Monmartre, maar dan zonder vervelende Parijzenaren. Heuvelachtige straatjes met schilderachtige cafeetjes, prullariawinkeltjes en tweedehandsboekwinkeltjes. Het is er compleet veilig en je kunt buiten zitten. Dat is een luxe in een land waar je uit veiligheidsoverwegingen meestal uitgaat in een shopping mall (met restaurants en bioscopen).

En ook het B&Btje was een oase in de hectische jachtige miljoenenstad. Het had een binnentuin met een klaterend fonteintje en een keur aan bloeiende bomen en felgekleurde vogels.

Mageshen en ik zijn al een tijdje verliefd op elkaar. Nishlyn had dat allang door, vertelde hij me later. En ik werd vooral heel zenuwachtig van zo’n spannende maar onzekere flirt. Het zou niet voor het eerst zijn dat ik me volkomen vergis in de gevoelens van degene die ik in het vizier heb. Misschien speelde die verliefdheid zich wel weer uitsluitend in mijn hoofd en hart af. Mijn verdomde overdaad aan gefantaseer en idealistische anticipatie ook altijd. Waahhhhh.

Maar in zo’n omgeving is het snel genoeg duidelijk. We hebben twee zalige romantische dagen doorgebracht in Melville. Rondgeslenterd in prullariawinkeltjes, terrasje, kopje thee, taartje, kusje, volgend boekwinkeltje, enz. I’ll spare you the details.

Wat mij keer op keer treft in Johannesburg is de ‘atmosfeer’: de ijle, knisperige lucht van 1800 meter hoogte, de immer strakblauwe hemel met kraakhelder licht dat toch mild is. De droogte en de windstilte, in tegenstelling tot Durban waar altijd een stevige vochtige bries van zee waait.

Op de tweede dag van ons bezoek werd ik blootgesteld aan een nieuwe ervaring. We hadden laat en uitgebreid ontbeten, Mageshen was zich aan het scheren en ik zat in de tuin tussen de bloeiende bomen en de kwetterende vogeltjes in de zon mijn vragen aan mijn informant voor te bereiden. En ik zat te reflecteren op waar ik sta. Dat doe ik wel vaker.

Vooral de laatste maanden is dat reflecteren een prettige bezigheid omdat ik dingen bereikt heb die ik lang heb gewild (daar heb je die idealistische anticipatie weer): een mooie baan, een prachtig onderzoeksveld, lieve vrienden en vriendinnen, relatieve gezondheid, etc. Allemaal zaken die ik niet als vanzelfsprekend aanneem omdat ik ze allemaal in een bepaalde periode van mijn leven heb moeten ontberen. Voor mijn gevoel – of het nu klopt of niet – heb ik ze met veel bloed, zweet en tranen moeten veroveren.

Naast de mooie baan en de prachtige onderzoeksreis en de relatieve gezondheid heb ik nu ook een slimme, humoristische, muzikale en ook nog eens intens tedere man aan mijn zijde. (Heb ik nog meer epitheta ornantia voor hem? Nog busladingen vol; ik ben immers verliefd op hem en ik schreeuw het van de daken.)

De nieuwe ervaring was niet zozeer dat ik na lange tijd weer een vriendje heb, maar dat ik niets meer te wensen had.

Ik zat daar in de zon, en op dat moment stond de tijd even helemaal stil. Net zo stil als de ijle lucht en het heldere licht en de windstilte van Johannesburg.

En ik dacht: zo voelt het paradijs. Het moment is een eeuwigheid geworden, omdat er niets anders is dan dit.

Ik ben vaak op zoek geweest naar dat gevoel, zoals veel mensen, denk ik: in muziek, in belevingen van schoonheid, in lichamelijke bevrediging. Het is een kortstondig losgerukt zijn van alles dat voorbijgaat. En in het losgerukt zijn, ben je een heel, volledig wezen. Maar ook richtingloos, in een zalige luchtledigheid.

De Engelse taal heeft er zo’n mooi woord voor: presence (tegenwoordigheid). Het omvat zowel het temporele als het ruimtelijke ‘aanwezig zijn’. Het staat tegenover het idealistische anticiperen, waarin je altijd bezig bent met wat er zou moeten zijn in de toekomst, en nooit met wat er nu is.

En omdat de ervaring van eeuwigheid eigenlijk altijd zo kortstondig is, is het begrip ‘paradijs’ (waarin die eeuwigheid écht een eeuwigheid duurt) iets onbestaanbaars, iets dat niet bij het leven hoort en misschien wel de dood is.

En het moment van paradijslijke eeuwigheid ging weer over, want ik sta nog midden in het leven. Ik ging met Mageshen koffie drinken in een cafeetje in Melville en daarna arriveerde mijn informant met wie ik twee uur lang zeer zakelijk en informatief heb zitten praten. En intussen hield Mageshen zichzelf bezig.

Het is een van de redenen dat ik het prettiger vind om ouder te worden. Als je verliefd bent op je 18de dan word je er helemaal door opgevroten. Als je verliefd bent op je 35ste word je bij vlagen opgevroten, maar bij vlagen kun je gewoon functioneren. Ondanks het high-zijn van de ijle berglucht, de weinige slaap en de gierende hormonen, kon ik uit de ene ‘luchtzak’ van ervaringen stappen en een andere binnentreden, zoals ik ook afwisselend bij de Zoeloes, de Duitse missionarissen, de Afrikaners en de Indiërs binnenstap, meedoe, maar toch ook toekijk, onthecht ben zonder me verlaten te voelen.

Daarom houd ik misschien wel zo van op-reis-zijn. Op reis kan ik op een prettige manier onthecht zijn, ergens voorbijgaan en weer doortrekken naar een volgende dag en een volgende confrontatie met iets wat buiten mezelf ligt. Zonder idealistische anticipatie van 'het volgende' besta ik niet; daarin ben ik heel westers. (Misschien ga ik eens een essay schrijven over 'het volgende' als concept.) Mijn reislust is een vorm van verzet tegen de zalige eeuwigheid, om zo te blijven voelen dat ik leef. Maar de korte momenten van die zalige eeuwigheid koester ik.

maandag 22 september 2008

In en om het huis

Vanochtend werd ik wakker met een prachtige grote vlinder aan de binnenkant van mijn raam, die zich nog maar net ontpopt leek te hebben.

De lente manifesteert zich hier in van alles. Vorige maand (winter) vond ik het concept ‘lente’ maar raar. Hoe kun je nou een lente hebben na een winter waarin je buiten kunt zwemmen en waarin de meeste bomen gewoon groen zijn?

Maar het is echt lente. Afgezien van de kuikentjes (die er nog steeds alle 7 zijn en langzaam groter worden), is er nu dus ook de vlinder, en na een hele dag regen afgelopen zaterdag waarin ik me in een Hollandse herfst waande, ontploffen de bomen die geen blaadjes hadden nu in het heerlijke zachte frisse lentegroen dat we ook in Europa kennen. Twee lentes in een jaar. Wat een luxe.

En we hebben hier ook ‘maart roert zijn staart’, maar dan in september. Zaterdag regende het dus de hele dag pijpestelen en via de tv kwamen beelden binnen van negers die sneeuwpoppen aan het bouwen waren, slechts 70 kilometer hier vandaan. Hahahahaha. Maar voor de minder bedeelden is het natuurlijk minder leuk.

Nadat ik de vlinder gefotografeerd had, ging ik zoals gewoonlijk om half acht naar de ontbijtzaal. Wat zal ik mijn ontbijtgesprekken missen als ik weer in Nederland ben. Er is altijd wel een leuk iemand om mee te babbelen. Lucy, bijvoorbeeld, of een Britse antropoloog die 2 jaar lang in een Indiaas dorpje heeft gewoond, of een fysicus uit Cambridge die grappen over Schotten maakt.

Het is heerlijk om niet in je eentje te hoeven ontbijten en toch ook niet eerst een kerel uit je bed te hoeven douwen. Hoewel. Dat laatste zou ook geen overbodige luxe zijn. Zucht. Lente.

Maar vandaag trof ik geen tafelgenoten, alleen Louise en Lucy. Met een kop koffie in de hand en met hun handen in het haar bespraken ze de andere aardverschuiving die Zuid-Afrika de afgelopen dagen getroffen heeft: de aftocht van Thabo Mbeki en de aantocht van Jacob Zuma, alias JayZee.

Louise en Lucy praatten niet alleen over zijn duistere dealtjes waarvoor hij alsmaar niet veroordeeld wordt omdat de regering de boel verknoert, maar vooral over zijn volstrekt respectloze behandeling van vrouwen. ‘He’s got his sixth wife now. Isn’t it a disgrace? Sjoe! Sjoe! Oh. Barbara! I don’t like that man! Oh. Oh. Oh.’

Lucy HAAT Jacob Zuma. Elke teen die hij beweegt, elke zucht die hij slaakt. Ze HAAT het hartgrondig en gepassioneerd. Ze noemt het geen haat, want in haar kerk bestaat geen haat, maar het is wel haat. Zuma belichaamt voor Lucy alles wat er mis is met de Zoeloemaatschappij en met name met de mannen.

Heel vaak vraag ik me af waarom niet meer Zoeloevrouwen haar meningen delen, want net als de meeste Zoeloevrouwen heeft Lucy – en haar dochter (die haar kinderen in haar eentje grootgebracht heeft) en haar kleinkind (dat nu op haar 14de zwanger is geraakt van iemand die al weer uit het zicht verdwenen is) – geleden onder de Zoeloenormen die vrouwen in sommige opzichten (niet in alle) tot verhandelbaar vee degraderen. Maar Lucy is een uitzondering. De meeste mensen (en met name vrouwen) lopen als ‘puppy dogs’, zoals Lucy ze noemt, achter JayZee aan.

Na het ontbijt (vandaag maar eens geen ei – met dank aan JayZee – want mijn cholestrollevels zullen zo langzamerhand wel de pan uitrijzen), liep ik mijn wandeling door het groen naar boven, naar de universiteit.

Ik begroette de valse honden bij de ingang van de universiteitssportvelden, die langzaam een beetje aan me beginnen te wennen. En ik aan hen, want ik ben als de dood voor honden. (Veel honden zijn trouwens racistisch; ze blaffen langer naar zwarten dan naar witten.) Ik begroette de 7 kuikentjes in het zwembad. Ik liep onder het frisse lentegroen door naar de wachtpost (met nog meer honden) en begroette de portiers die ook aan me beginnen te wennen en door het electrische poortje naar wat ik het ‘mini-oerwoud’ noem:


Boven aangekomen begroette ik de Indiër bij wie ik altijd wors koop en in mijn kamer verzon ik een paar hele nare tentamenvragen voor mijn studenten. Die vragen moeten kennelijk nu al bekend zijn. En daar worden ze dus naarder van. Daarna een ochtend in de bibliotheek doorgebracht. Deze keer niet met Franz Schubert, maar met Johnny Clegg and Dave Coplan, de pioniers op het gebied van maskanda-onderzoek.

Zij hebben nog de rassenwetten overtreden door in apartheidstijd helemaal in die Zoeloegemeenschap op te gaan. Johnny Clegg schrijft prachtig over de dilemma’s die hij tegenkwam, waaronder het monogamie/polygamiegebeuren waar zijn twee huwelijken op stuk liepen. Komende week ga ik beide heren, nu wat bezadigder, proberen te interviewen.

Nishlyn belde mij zondag met de vraag of ik met hem meeging naar Joburg. Hij wilde wat mensen opzoeken en het is goedkoper om de kosten te delen. Een prachtige gelegenheid voor mij om Clegg en Coplan te pakken te krijgen, want die wonen daar. Bij navraag wilde Mageshen ook wel mee, dus morgenochtend om 5 uur vertrekken we. De reis duurt een uurtje of 6 en gaat pal langs de Drakensberg. Met de Bollywoodhitzender op wordt het vast ontzettend gezellig onderweg.

Vrijdag weer online met een script voor een Bollywood road movie…

zaterdag 20 september 2008

Luchtzak

Vorig jaar, toen ik voor het eerst van mijn leven in Zuid-Afrika was, reden Grant en Angus mij de ochtend na mijn aankomst naar een game reserve, waar we overstapten op een open jeep om door het safaripark naar onze lodge te rijden. Ik voelde steeds een andere temperatuur op mijn huid: dan weer heet, dan weer kil. Het had niets te maken met schaduw of zon, met dal of top. Het waren ‘luchtzakken’ die ieder van een andere planeet leken te komen en niet met elkaar mengden.

Dezelfde verschillen zijn er in klimaat en vegetatie. Gisteren reed ik met Nishlyn en Mageshen naar de Kloof (spreek uit: Kloef), een uiterst dure suburb van Durban waar ze een gig moesten spelen op een feestje (verdomd goede jazzmuzikanten, by the way. Allebei.) In de 20 minuten die het duurt om er te komen stijg je zo’n 300 meter en boven aangekomen zie je andere planten, een andere bodem en voel je een andere lucht.

Als ik op de heuvelrug bij Howard College over de haven uitkijk, heb ik eenzelfde gevoel van ‘verbonden onverbondenheid’. De haven is heel dichtbij, je kan elk schip onderscheiden, en als je goed kijkt zelfs elke container op het schip, maar omdat je zo hoog zit lijkt het alsof je naar een poppenhaventje kijkt, een toneeldecor. Het is dichtbij en het is ver weg.

In de regenboognatie bespeur ik ook zo'n 'nabije verheid', zoveel culturen op een steenworp afstand en toch zo apart (ik heb er geen ander woord voor). Twee weken geleden danste ik in een Zoeloedorpje op mijn blote voeten naast de levenloze kop van een zojuist geslachte koe. Twee dagen later zat ik met Nishlyn in de jachthaven van Durban een exquise Thaise curry te eten. Afgelopen dinsdag was ik in een afgetrapt theatertje onder een snelweg met een maskandagroep aan het repeteren. En met de spierpijn van het dansen nog in mijn kuiten zat ik donderdagavond in de Victoriaanse City Hall van Durban naar Bruckners Zesde Symfonie te luisteren.

[Notabene. Bruckner. De provinciaalste aller Midden-Europese componisten. Had de goede man uit Linz kunnen bevroeden dat zijn immer aanzwellende seufzergolven ooit nog eens aan de kust van de Indische Oceaan opgevoerd zouden worden door het KwaZulu-Natal Philharmonic Orchestra?]

En gisteren op weg naar het feestje in de Kloof waren Nishlyn en ik alweer ons Oxbridge accent aan het oefenen (Nishlyn heeft een tijdje in Cambridge gezeten) – ‘Oh, hellooooww, old chap. How lavly to see you’ – want Mageshen had ons gewaarschuwd voor niet te overtreffen kakkineuzerigheid. Maar toen we aankwamen bleken we te gast te zijn bij afstammelingen van Duitse missionarissen (seit achtzehnfünfzig – ‘wir sprechen noch immer Hochdeutsch’) die alleen onder elkaar trouwen en hun kinderen naar Duitstalige scholen sturen. Ik heb de hele avond Duits gepraat!

Maar let wel [disclaimer]: mijn ervaring van 'dichtbije verheid' wordt bepaald door wat ik gewend ben: een Europese monocultuur (waarin ik nooit de moeite neem om met de imam op mijn Utrechtse straathoek te praten of met de Antilianen in Lombok). En mijn zintuiglijke waarneming van Zuid-Afrikaanse natuurlijke diversiteit is bepaald door een vergelijkbaar referentiekader: een plat land met een eenduidige vegetatie. Daardoor is het voor mij verleidelijk een parallel te trekken tussen natuur en cultuur. Maar wetenschappelijk gezien is er geen enkele basis voor. Hier is die parallel dus nadrukkelijk bedoeld als metafoor!

Jarenlange geïnstitutionaliseerde apartheid heeft een infrastructuur geschapen die het mogelijk maakt nooit uit je eigen ‘luchtzak’ te komen en je tussen de andere ‘luchtzakken’ door te bewegen zonder ooit iets met ze van doen te hebben. Die infrastructuur is voorlopig nog niet weg.

Het is een kwestie die me in dit land steeds opnieuw bezighoudt: wat moet je met die ‘luchtzakken’? De apartheid was een abberatie van een universeel menselijke behoefte ergens bij te horen, en dat ‘ergens’ te reduceren tot iets herkenbaars: Duitsheid, zuidelijk temperament, Zoeloevitalisme. Het zijn constructies, maar ze zijn wel gebaseerd op tastbare ervaringen. De een bezweert zijn angsten graag door naar Bruckners schoolmeestercontrapunt te luisteren, de ander slacht liever een geit. Het is maar net waar je je thuis bij voelt. Maar zodra die constructies als onveranderlijke entiteiten worden gezien, en ‘in stand gehouden’ moeten worden, worden ze problematisch.

Louise vertelde met afgrijzen over de poshe ‘Engelsen’ die al eeuwen geen Engelsen meer zijn, maar wel 10 keer per jaar naar London vliegen om daar te gaan shoppen, hun kinderen naar peperdure kostscholen sturen en geen benul hebben van wat er op hun eigen stoep in hun eigen land gebeurt. Daar ontlenen zij hun identiteit aan en Louise heeft met recht medelijden met ze.

De ‘Duitsers’ van gisteren waren ook een mooi portret. Ontzettend warme, gastvrije mensen, maar ze meenden het wel: wij spreken het échte Hochdeutsch, nog uit de 19de eeuw. Nu weet ik toevallig behoorlijk veel van 19de-eeuws Duits, want ik heb 5 jaar lang niets anders gelezen, en het Duits dat ik gisterenavond hoorde klonk mij niet als 19de-eeuws Duits in de oren, al was het maar omdat het doorspekt was met Engelse woorden. En gelukkig maar; het betekent dat de Duitse enclave, ondanks de koekoeksklokjes aan de muur, het contact met de realiteit om zich heen niet verloren heeft. Een gaatje in de luchtzak. Pfffffffffff.


Skho Miya, lead singer van Abagquzeli, bij hun oefenruimte.


Het interieur van de City Hall van Durban (rechts Nishlyn en Mageshen).


Het uitzicht op downtown Durban, vanuit de City Hall.


Nishlyn en Mageshen in actie in een Beiers alpenhuis.

dinsdag 16 september 2008

Meedoen

Eerst even een leuk linkje. Om het egotripperijgehalte van dit blog nog even wat op te schroeven: http://www.ukzn.ac.za/UKZNonline/V2/17/issue17.htm. Wel een beetje naar onder doorscrollen. Komt rechtstreeks uit jouw achtertuin, Stéphanie. Misschien toch maar niet verkopen?

De foto's hieronder vormen andere koek. Hun bijdrage aan een mogelijk doel van zelfpromotie is twijfelachtig:






Wat is Barbara hier aan het doen? Dat weet ze zelf ook niet zo goed. Ze is aan het repeteren met de maskandagroep Abagquzeli. De lead singer van Abagquzeli staat erop dat ik 1 song met hun samen ga uitvoeren op het concert dat ze volgende week zaterdag geven in het BAT Centre (het Theater Kikker van Durban). Ik moet nog een manier vinden om me daar onderuit te lullen.

Bij muziek onderzoeken is het heel simpel: Je moet het zelf doen, anders heeft het weinig zin. Noten lezen, akkoorden horen, een idee hebben van een sonatevorm; je moet er zelf gewoon af en toe eens doorheen: met je oren, met je handen, met je adem en uiteindelijk misschien eens met je hoofd.

Dus om maskanda een beetje te begrijpen neem ik gitaarles van maskandi Shiyani Ngcobo. Dat is erg nuttig. Hij leert me in zijn groepsles kleine riffjes (2 snaren en 2 posities max, want anders raak ik de draad kwijt) en die riffjes breiden we langzaam uit met een derde snaar of een derde positie. Het is de basis van zo'n song. Ik speel de riff, heb hem na driekwart van de song ongeveer in mijn vingers, terwijl de andere leerlingen andere stemmen spelen, die ook uit die riff voortkomen maar meer omspeeld zijn, zowel melodisch als ritmisch. Niemand verveelt zich. Iedereen leert wat. En ik kan wat analytische gedachten gaan loslaten over hoe zo'n song in elkaar steekt.

Maar gitaar spelen is slechts één aspect van maskanda. Veel belangrijker is de dans. De dans is 'deep Zulu'. Daar gaat het om. Dus toen de lead singer van Abagquzeli mij uitnodigde om een hele dag bij hun repetitie te zijn hapte ik gretig toe. Maar ik moest wel meedoen natuurlijk. Anders is het niet leuk.

Zo gaat dat in Afrika. Denk maar niet dat je als publiek bij een concert lekker achterover kunt gaan zitten om onderhouden te worden. Refreinen zingen, meeklappen, laten weten dat je het nog leuk vindt. Dat is bij de meeste muziek (ook westerse popmuzieken) zo natuurlijk. Maar met mijn 'verinnerlijkte' muziekgenieting, waarbij ik gewend ben mensen een vernietigende blik toe te werpen als ze tijdens een concert op hun hoofd wagen te krabben, moest ik er even aan wennen.

Dus het was meedoen vandaag. Geen gezeur. En - afgezien van de lichaamsbeweging - was het nog leuk en leerzaam ook. De heterofonie van die muziek heb ik nu goed kunnen observeren (want meegedanst in verschillende patronen) en ik heb ook meegekregen hoe liedjes worden aangeleerd en overgedragen aan anderen (want zelf geleerd.)

Maar het blijft geen gezicht...

maandag 15 september 2008

Lach

Ik mag dan weinig ervaring hebben met etnografisch onderzoek; ik geloof wel dat het iets voor mij is. Contacten leggen, informatie loskletsen uit mensen, hun reacties observeren, opschrijven wat ik zie, ruik, voel en bovenal: hoor. En dan al die ethiek die erbij komt kijken. Bij historische muziekwetenschap zijn die knakkers toch allemaal dood, bij dit onderzoek zijn ze niet alleen in leven, maar soms ook mijn kennissen of vrienden. Hoe ga je om met informatie die je loskletst van je vrienden om er vervolgens je brood mee te verdienen?

Voor mijn ‘etnografisch dagboek’, dat ik parallel aan mijn blog bijhoud en dat alle hardcore wetenschappelijke informatie (not!) over mijn onderzoek bevat, kan ik het antwoord op die vraag nog even uitstellen. Ik schrijf gewoon alles op en beslis later wel wat publicabel is. Maar, zoals eerder aangekaart, is een blog onmiddellijke openbaarmaking.

Donderdag zat Nishlyn woedend aan de lunch. Hij was door een vertegenwoordiger van de universiteit (zijn werkgever) bestempeld als ‘een Indiër’. Ik begreep niets van zijn woede. ‘Waar doe je nou moeilijk over?’ zei ik. ‘Je BENT toch gewoon een Indiër?’ ‘Interesseert me niets’, zei Nishlyn, ‘ik wens niet in een hokje gestopt te worden.’

Later, toen ik met Nishlyn en Mageshen in de auto zat om naar de stad te gaan, vroegen ze me het rechtstreeks: ‘Is er dan iets specifieks Indiaas aan ons?’ Ik moest er nogal om lachen. Als ik met Mageshen en Nishlyn op stap ben, heb ik altijd het gevoel dat ik in een Bollywoodfilm terecht ben gekomen. ‘Jullie zijn verschrikkelijk Indiaas’ riep ik. ‘Allebei. En ik kan het weten, want ik ben in India geweest. Jullie niet.’ ‘Wat is er dan Indiaas aan ons’, vroegen ze me. Tja, daar moest ik even over nadenken.

Het Bollywoodgevoel komt vooral omdat Nishlyn en Mageshen zo’n leuk clownsstel zijn, de een lang en dun (Petruk zeg maar) en de andere, laten we zeggen, nogal kort en stevig (Semar). Ze zijn allebei jazzmuzikanten en ze verkopen de ene running gag na de andere, steevast gevolgd door een superhoge gierende lach. Precies diezelfde lach had een in Engeland geboren en getogen Indiase vriend van mij in Oxford.

‘Ik denk dat het vooral jullie lach is’, zei ik. ‘Is dat alles?’ vroegen ze me. Tja, met uiterlijke kenmerken kom je niet echt ver. Nishlyn heeft me zelf verteld dat hij zó donker is dat er ongetwijfeld eens of meer een neger(inne)tje door zijn genenpoel gewandeld is. Het verkopen van running gags is niet iets exclusiefs Indiaas, en de Petruk-Semar combinatie is Javaans, dus veel verder kwam ik niet met essentialiseren. Ze hebben niet eens een accent…

En daarom mag ik dit blog publiceren van Nishlyn (want informanten vraag je om toestemming, juist als ze je vrienden zijn): ik begin zijn woede namelijk wel een beetje te snappen. Niemand wil gereduceerd worden tot een wayangtypetje of een Bollywoodpersonage, behalve voor de grap. Voor Nishlyn is het ‘geklassificeerd’ worden als ‘een Indiër’ net zoiets.

Klassificaties zijn gebaseerd op een web van associaties van de klassificeerder. Mijn web van associaties bij het 'Indiër zijn', bijvoorbeeld, had weinig te maken met Nishlyn, Mageshen of India. Het had te maken met mijn eigen ervaringen: Engeland, Bollywoodfilms, grappenmakers, wayang kulit op Java, ...

Voor grappen zijn zulke associatiewebben prachtig, maar in een officiële setting (want dat was de setting waarin Nishlyn tot Indiër werd verklaard) zijn ze simplificerend en daarmee stigmatiserend. En dergelijke simplificaties hadden in apartsheidtijd gevolgen voor elke teen die je bewoog. De ridiculiteit was realiteit geworden.

En toch kun je hier best apartheidsgrappen maken, mits je iemand kent en weet dat ie het kan waarderen: laatst, toen we langs de suikerrietvelden reden, vroeg ik Nishlyn en Mageshen hoe het nu verder moet met de Zuid-Afrikaanse suikerindustrie nu al die Indiërs zomaar jazzmuzikanten mogen worden. Als wraak zei Nishlyn de volgende dag, toen ik hem van Lucy’s leven in apartheidsomstandigheden vertelde: ‘I’m sure they’re all lies.’ Het duurde een paar ijzingwekkende seconden voor ik doorhad dat hij me ertussen nam.