Toen ik vanochtend wakker werd zat er een oude makker op de veranda van Louise en Jon de krant te lezen: Dennis Thembinkosi Hadebe, de tuinman van Mackaya Bella die me in mijn eerste weken in Zuid-Afrika van alles over maskanda vertelde. Hij is een belangrijke bron voor mijn boek en ik heb hem een exemplaar beloofd dat hij - zeker weten - van A tot Z gaat lezen.
Hij is - net als ik - nu 10 jaar ouder, en tegen de pensioengerechtigde leeftijd, maar still going strong. Hij moet wel. Het merendeel van zijn leven heeft hij in apartheidstijd doorstaan; hij heeft geen enkele mogelijkheid gekregen om zich te ontwikkelen, en dus heeft hij de mogelijkheden maar zelf geschapen. Alles gelezen wat los en vast zit. Met een tuinmannensalaris zorgvuldig centjes gespaard om een plotje land te kopen. Hoe langer ik hier ben, hoe meer bewondering ik daarvoor krijg: mensen die ondanks zoveel achterstand en tegenwerking net zo goed kunnen formuleren en zeker beter kunnen plannen dan ik, terwijl ik daar een stabiele thuisomgeving en een zwaar gesubsidieerd onderwijstraject van tientallen jaren voor nodig heb gehad.
Eens in de week komt Dennis bij Louise en Jon de tuin doen. Hij weet ongelooflijk veel van inheemse planten: hoe ze heten (in het Zoeloe, het Engels en het Latijn), hoe je ze moet verzorgen, wanneer je ze moet verplanten of snoeien, hoe je ze kan stekken. Hij weet welke vogels en bijen erdoor aangetrokken worden, hij deelt ideeën over de inrichting van het tuinlandschap. Louise is ervan overtuigd dat Dennis in een eerlijker Zuid-Afrika een vooraanstaand bioloog was geworden of hoofdcurator bij de Botanische Tuinen. Maar zoveel eerlijkheid is Dennis niet vergund geweest.
Daar heeft hij het zichtbaar moeilijk mee. Hij woont in de letterlijk verrotte township Umlazi, tussen familieleden die naar zijn zeggen vooral druk zijn met zuipen, herrie schoppen en teveel kinderen krijgen. Hij zegt onomwonden alle dingen die ik nooit over achterstandswijken durf te denken, laat staan te zeggen, en hij geeft er een volledige sociaal-economische én culturele analyse bij waar ik weinig tegen in te brengen heb.
Bij Jon en Louise kan hij een beetje tot rust komen; de krant lezen, goed te eten krijgen, wat in de tuin doen, daar wat mee verdienen, en dan een douche nemen, maar - zegt hij - tegen douchetijd wordt hij al weer chagerijniger omdat hij weer terug moet naar zijn township, met de herrie, de werkloze en verslaafde neven, en zijn zussen die steeds om meer geld vragen zonder er iets voor terug te geven.
Ik ken alleen Dennis' kant van het verhaal, maar het komt op belangrijke punten overeen met de situatie van mijn maskandavrienden in Highflats die ik morgen ga opzoeken. Ik probeer Shko's dochter te helpen met het verwerven van een diploma - wat voor diploma dan ook, als ze maar aan het werk kan. Vorig jaar werd ze zwanger. De vader van het kind verliet haar zodra hij dat hoorde ("wie zegt dat het mijn kind is?"), net zoals haar vader haar moeder verliet toen die zwanger werd van haar. Nu kan alleen zij voor het kind zorgen. Van school komt het dus niet, en mijn ondersteuning is meer nodig dan ooit, maar niet voor de zaken waarvoor we die hadden bedacht.
Het is makkelijk voor mij om te zeggen dat ze niet zwanger had moeten worden. Dat hoeft niet eens want dat zegt ze zelf al. Met een hartverscheurend zelfverwijt. En als ik bedenk hoe on/voorzichtig ik doorgaans zelf ben met het al dan niet voorkomen van dit soort dingen dan is het werkelijk een wonder (en ik prijs mezelf daarin gelukkig) dat ik nog niet zwanger ben. Bovendien verheugen we ons allemaal op het moment dat ik de kleine Lisakhanya morgen voor het eerst ga ontmoeten en haar dan kan knuffelen.
Mijn salaris van dit jaar - dat genoeg is om een heel gezin in Nederland te onderhouden - is op, dankzij mijn zes reizen naar drie continenten. Ik heb geen cent gespaard. Integendeel zelfs. Dus ik kan alleen maar diep buigen voor een tuinman die voor een plotje land kan sparen, of - zoals Louise en Jon me vertelden - een parkeerwachter die met de toegestopte muntjes van parkerende gasten een auto bij elkaar gespaard heeft zodat hij nu taxichauffeur kan zijn.
Maar met alleen respect veranderen we niets, zeker als (alcohol)verslaafde ooms, tantes, neven en nichten hun deel opeisen, in een verwrongen idee van wat eigendom is. "Jouw eigendom is ook mijn eigendom, en als je het niet deelt ben je slecht, ook al werk jij ervoor en ik niet." Dennis noemt het jaloezie, maar ik vind het ook een onvermogen om te functioneren in een marktideologie die uitgaat van een individualistisch eigendomsbeginsel. In een land met zoveel ongelijkheid pakt die ideologie voor enkelen goed uit, maar voor de meesten desastreus. Bovendien is het land de afgelopen jaren letterlijk leeggeplunderd door Zuma en de Gupta brothers.
Ik zeg: iedereen een basisinkomen.
vrijdag 28 december 2018
donderdag 27 december 2018
Urban Jungle
In Johannesburg is het dan wel 38 graden, maar het is kurkdroog. In Durban is het 25 graden en het voelt veel warmer dan Johannesburg. Warmer dan Yogya zelfs. Na de onweersbui van vannacht was de stad vanmorgen gehuld in een dikke mist die in niets lijkt op Nederlandse nevel. De warme lucht en de warme druppels worden één, alles druipt. Als je een ledemaat beweegt, stroomt het zweet van je lijf.
Ik ken Durban goed, heb er maanden (in totaal zelfs meer dan een jaar) van mijn leven doorgebracht, ik heb er gewerkt, gedanst, gezongen, lief gehad, veel wijntjes gedronken en veel avocado's uit eigen tuin verschalkt. Ik zal niet zeggen dat ik elke straathoek ken, maar het komt wel in de buurt.
Iedereen die het zich kan veroorloven doet hier alles met de auto. Zo deed ik het ook altijd: al mijn vrienden en collega's hebben auto's of anders belde ik Selby, toen hij zich nog niet bij de voorvaderen gevoegd had. Bovendien vertelde iedereen me continu dat een buitenlander zich niet in haar eentje te voet op straat moet begeven. Veel te gevaarlijk.
Maar lichaamsbeweging in de buitenlucht is in opmars. 's Ochtends zie je joggers in het park: dun en dik, zwart en wit. Elke zaterdag is er op drie plekken in Durban een duurloop met een app, waarop je bonuspunten voor de supermarkt kunt verdienen als je je eigen record verbetert. Daar komen elke week zo'n 2000 mensen op af. Onze Appie kan er wat van leren.
Ik ben hier nu voor het eerst sinds ik lopen leuk vind, sinds de heupvervanging in 2016. Ik verblijf weer bij Louise en Jon, die voorheen hun Mackaya Bella guesthouse hadden, maar nu genoeg hebben van de hotelverplichtingen. Ze zijn kleiner gaan wonen, maar verhuren hun tuinhuisje via AirBnB. Zo heb ik over de hele wereld mijn tuinhuisjes: in het bamboebos (Yogya), in de welvarende groene achtertuin (Johannesburg) en in de met zorg aangelegde inheemse tuin van Louise (Durban).
Louise en Jon zijn een soort tante en oom voor me. Ze zijn iets jonger dan mijn ouders, en toen ik voor het eerst in hun guesthouse neerstreek in 2008, raakten we al snel bevriend. Ze hebben altijd een oogje in het zeil gehouden en ook in moeilijke tijden met Mageshen kon ik altijd bij hen aankloppen. Dat is gebleven. Ze vinden het geweldig als ik er ben, en smullen van mijn verhalen.
Toen ik ze vertelde hoe makkelijk lopen voor mij is geworden, vroegen ze of ik zin had om met Jon mee te gaan op zijn dagelijkse ochtendwandeling. Een uurtje lopen, door de groene corridors van Durban, die nog tijdens de apartheidstijd zijn aangelegd door een milieuvriendelijk gemeentebestuur.
Ik had die groene corridors van Durban nog nooit gezien. Ze zijn in eerste instantie bedoeld voor dieren om zich te verplaatsen: ecoducten uit de jaren 80. Maar mensen kunnen en mogen er ook in recreëren. D.w.z. voorheen alleen witte mensen. Nu gelukkig alle mensen.
Het hoogtepunt van deze groene pockets is het Pigeon Valley Park, een stuk oerwoud van enkele vierkante kilometers midden in suburbia.
In de dampende mist wandelden Jon en ik er om 07.00 uur heen - langs Mageshens huis, langs Moore Road die ik minstens 100 keer op en neer gescheurd ben, langs de banketbakker, de jacarandabomen en de uitbundig bloeiende bougainvillia's in de berm.
Het park had een poort en een boswachtershuisje, en het was beeldschoon. Een vochtzwanger oerbos, zeker, maar toch weer heel anders dan het druipende oerwoud dat ik ken uit Indonesië. Zoveel verscheidenheid. Waanzinnig.
Door kruipdoor-sluipdoorpaadjes liepen we door het woud/bos/park. We zagen duikers (geen waterbeesten maar wegduikende antiloopjes), we hoorden en zagen vogels, werden opgejaagd door een nijdige broedse hadida, en stelden ons voor hoe het was voordat de eerste Europese settlers hier neerstreken aan het begin van de negentiende eeuw.
Jon is een erudiete natuurkundige, een man van weinig woorden die alleen iets zegt als hij vindt dat het iets toevoegt aan het gesprek. Hij heeft meer dan een jaar voor onderzoek op Antarctica gezeten en was gastdocent in Cambridge. Hij kent het bos op zijn duimpje. Ik kom hier elke zondag, vertelt hij. "In communion with nature. Andere mensen gaan dan naar de kerk. Ik kom liever hier om mijn ziel van binnen te bekijken."
Ik ken Durban goed, heb er maanden (in totaal zelfs meer dan een jaar) van mijn leven doorgebracht, ik heb er gewerkt, gedanst, gezongen, lief gehad, veel wijntjes gedronken en veel avocado's uit eigen tuin verschalkt. Ik zal niet zeggen dat ik elke straathoek ken, maar het komt wel in de buurt.
Iedereen die het zich kan veroorloven doet hier alles met de auto. Zo deed ik het ook altijd: al mijn vrienden en collega's hebben auto's of anders belde ik Selby, toen hij zich nog niet bij de voorvaderen gevoegd had. Bovendien vertelde iedereen me continu dat een buitenlander zich niet in haar eentje te voet op straat moet begeven. Veel te gevaarlijk.
Maar lichaamsbeweging in de buitenlucht is in opmars. 's Ochtends zie je joggers in het park: dun en dik, zwart en wit. Elke zaterdag is er op drie plekken in Durban een duurloop met een app, waarop je bonuspunten voor de supermarkt kunt verdienen als je je eigen record verbetert. Daar komen elke week zo'n 2000 mensen op af. Onze Appie kan er wat van leren.
Ik ben hier nu voor het eerst sinds ik lopen leuk vind, sinds de heupvervanging in 2016. Ik verblijf weer bij Louise en Jon, die voorheen hun Mackaya Bella guesthouse hadden, maar nu genoeg hebben van de hotelverplichtingen. Ze zijn kleiner gaan wonen, maar verhuren hun tuinhuisje via AirBnB. Zo heb ik over de hele wereld mijn tuinhuisjes: in het bamboebos (Yogya), in de welvarende groene achtertuin (Johannesburg) en in de met zorg aangelegde inheemse tuin van Louise (Durban).
![]() |
| Upala Java House - Yogya |
![]() |
| Melville - Johannesburg |
![]() |
| Berea - Durban |
Toen ik ze vertelde hoe makkelijk lopen voor mij is geworden, vroegen ze of ik zin had om met Jon mee te gaan op zijn dagelijkse ochtendwandeling. Een uurtje lopen, door de groene corridors van Durban, die nog tijdens de apartheidstijd zijn aangelegd door een milieuvriendelijk gemeentebestuur.
Ik had die groene corridors van Durban nog nooit gezien. Ze zijn in eerste instantie bedoeld voor dieren om zich te verplaatsen: ecoducten uit de jaren 80. Maar mensen kunnen en mogen er ook in recreëren. D.w.z. voorheen alleen witte mensen. Nu gelukkig alle mensen.
Het hoogtepunt van deze groene pockets is het Pigeon Valley Park, een stuk oerwoud van enkele vierkante kilometers midden in suburbia.
In de dampende mist wandelden Jon en ik er om 07.00 uur heen - langs Mageshens huis, langs Moore Road die ik minstens 100 keer op en neer gescheurd ben, langs de banketbakker, de jacarandabomen en de uitbundig bloeiende bougainvillia's in de berm.
Het park had een poort en een boswachtershuisje, en het was beeldschoon. Een vochtzwanger oerbos, zeker, maar toch weer heel anders dan het druipende oerwoud dat ik ken uit Indonesië. Zoveel verscheidenheid. Waanzinnig.
Door kruipdoor-sluipdoorpaadjes liepen we door het woud/bos/park. We zagen duikers (geen waterbeesten maar wegduikende antiloopjes), we hoorden en zagen vogels, werden opgejaagd door een nijdige broedse hadida, en stelden ons voor hoe het was voordat de eerste Europese settlers hier neerstreken aan het begin van de negentiende eeuw.
Jon is een erudiete natuurkundige, een man van weinig woorden die alleen iets zegt als hij vindt dat het iets toevoegt aan het gesprek. Hij heeft meer dan een jaar voor onderzoek op Antarctica gezeten en was gastdocent in Cambridge. Hij kent het bos op zijn duimpje. Ik kom hier elke zondag, vertelt hij. "In communion with nature. Andere mensen gaan dan naar de kerk. Ik kom liever hier om mijn ziel van binnen te bekijken."
Vluchtnummer
In de desoriëntatie maar ook ontspanning van mijn lege warme dagen bij Grant en Angus in de veilige achtertuin merk ik ook weer wat mijn standaardinstellingen zijn: om georganiseerd te zijn, moet ik moeite doen, opletten, mijn kop erbij houden. Gelukkig heb ik dat goed geleerd als kind (dankjewel mama), maar van nature doe ik het niet.
Grant en Angus waren al op vakantie vertrokken toen ik gistermorgen mijn vlucht naar Durban moest halen: tripje van een uurtje, domestic flight, no big deal. Ik had de hele ochtend met Igz koffie gedronken en bijgekletst, toen rustig mijn koffer gepakt, toen nog even mijn vluchtnummer gecheckt.
Ik had de aankomsttijd in Durban als vertrektijd uit Johannesburg in mijn hoofd. Dat betekende dat mijn vliegtuig 70 minuten eerder vertrok dan ik had gedacht. Daar kwam ik 60 minuten voor vertrek achter. De rit van Melville naar het vliegveld is zeker 30 minuten - als je mazzel hebt met het verkeer. Johannesburg is geen Jakarta, maar het ontloopt elkaar niet veel...
In de moed der wanhoop Welcome gebeld. Welcome had me in die week al eerder rondgereden; we kunnen het goed met elkaar vinden en hij zou me sowieso in een half uur komen halen.
I'm 10 minutes away, zei Welcome en hij kwam inderdaad onmiddellijk. Jump in the car, zei hij. Ik gaf Igz een knuffel en stapte in. We'll get there, lachte Welcome. Goddank waren de straten leeg - iedereen zit thuis in het dorp bij familie op Tweede Kerstdag.
Hij reed heel erg snel, heel erg gefocust, en heel erg veilig. We waren er in 24 minuten - toen was de check-in net 5 minuten dicht. Het vliegtuig zou exact over 30 minuten vertrekken. Ik gaf Welcome een fikse fooi en rende de vertrekhal in.
Ik probeerde mijn vlucht op het bord te vinden, maar hij was er al vanaf gehaald. Een oudere meneer, duidelijk een assistent bij het online inchecken vroeg of hij me kon helpen. Ik legde hem de situatie uit. Hij scande mijn paspoort en zag dat de vlucht niet meer beschikbaar was. Hij gaf me een flinke uitbrander, duidelijk met de bedoeling om te vertellen dat hij me een enorme dienst ging bewijzen.
"Je moet echt eerder komen als je vlucht om 13.30 uur gaat" zei hij streng. "Ik zal kijken wat ik voor je doen kan. Kom mee." Hij rende op een holletje naar een check-inbalie. Aangezien hij mijn paspoort in zijn hand had, rende ik er maar braaf achteraan. Hij wrong zich voor alle rijen, legde in Zoeloe aan de baliemedewerkers mijn situatie uit, en, verdomd, hij kwam onmiddellijk terug met een boarding pass voor de juiste vlucht op mijn naam. Je koffer moet als handbagage mee, zei hij - die kunnen we niet meer inchecken.
Daarna rende hij met me naar de security. "Hier eindigt het traject waarop ik je kan helpen, vanaf hier moet je het zelf doen", zei hij gewichtig. "Maar sisi, I just saved your life, the least you can do for me is make my Christmas a happy one." Dus ik trok mijn portemonnee maar weer. Hij had gelijk: dankzij hem stond ik keurig 15 minuten voor vertrek bij de gate te boarden - ik was niet eens de laatste.
Grant en Angus waren al op vakantie vertrokken toen ik gistermorgen mijn vlucht naar Durban moest halen: tripje van een uurtje, domestic flight, no big deal. Ik had de hele ochtend met Igz koffie gedronken en bijgekletst, toen rustig mijn koffer gepakt, toen nog even mijn vluchtnummer gecheckt.
Ik had de aankomsttijd in Durban als vertrektijd uit Johannesburg in mijn hoofd. Dat betekende dat mijn vliegtuig 70 minuten eerder vertrok dan ik had gedacht. Daar kwam ik 60 minuten voor vertrek achter. De rit van Melville naar het vliegveld is zeker 30 minuten - als je mazzel hebt met het verkeer. Johannesburg is geen Jakarta, maar het ontloopt elkaar niet veel...
In de moed der wanhoop Welcome gebeld. Welcome had me in die week al eerder rondgereden; we kunnen het goed met elkaar vinden en hij zou me sowieso in een half uur komen halen.
I'm 10 minutes away, zei Welcome en hij kwam inderdaad onmiddellijk. Jump in the car, zei hij. Ik gaf Igz een knuffel en stapte in. We'll get there, lachte Welcome. Goddank waren de straten leeg - iedereen zit thuis in het dorp bij familie op Tweede Kerstdag.
Hij reed heel erg snel, heel erg gefocust, en heel erg veilig. We waren er in 24 minuten - toen was de check-in net 5 minuten dicht. Het vliegtuig zou exact over 30 minuten vertrekken. Ik gaf Welcome een fikse fooi en rende de vertrekhal in.
Ik probeerde mijn vlucht op het bord te vinden, maar hij was er al vanaf gehaald. Een oudere meneer, duidelijk een assistent bij het online inchecken vroeg of hij me kon helpen. Ik legde hem de situatie uit. Hij scande mijn paspoort en zag dat de vlucht niet meer beschikbaar was. Hij gaf me een flinke uitbrander, duidelijk met de bedoeling om te vertellen dat hij me een enorme dienst ging bewijzen.
"Je moet echt eerder komen als je vlucht om 13.30 uur gaat" zei hij streng. "Ik zal kijken wat ik voor je doen kan. Kom mee." Hij rende op een holletje naar een check-inbalie. Aangezien hij mijn paspoort in zijn hand had, rende ik er maar braaf achteraan. Hij wrong zich voor alle rijen, legde in Zoeloe aan de baliemedewerkers mijn situatie uit, en, verdomd, hij kwam onmiddellijk terug met een boarding pass voor de juiste vlucht op mijn naam. Je koffer moet als handbagage mee, zei hij - die kunnen we niet meer inchecken.
Daarna rende hij met me naar de security. "Hier eindigt het traject waarop ik je kan helpen, vanaf hier moet je het zelf doen", zei hij gewichtig. "Maar sisi, I just saved your life, the least you can do for me is make my Christmas a happy one." Dus ik trok mijn portemonnee maar weer. Hij had gelijk: dankzij hem stond ik keurig 15 minuten voor vertrek bij de gate te boarden - ik was niet eens de laatste.
Onweer
Vannacht een kolossale onweersbui. Flitsende bliksems, diep gerommel dat m'n hele vloer deed trillen, tropische regenbui kletterend op mijn zinken dak.
Elke lichtflits en elke diep aardse rommel leek zijn effect te hebben op mijn lichaam: alsof er spanning in opgeladen werd. Eng wel. En dat opgeladen lijf leek meer flitsen en klappen uit te lokken. Ik had het snikheet, maar tegelijkertijd ook koud van de airco boven mijn hoofd. Ik voelde me koortsig, maar niet ziek. Ik sliep half, maar voelde me op unheimische wijze ook wakker en alert.
Ik voelde ook een rusteloze kriebel in mijn beide heupgewrichten - alsof ze buiten mijn aansturing om moesten bewegen. Zou het metaal in mijn benen de bliksem aantrekken? Maar de een is van metaal en de ander niet - en ze voelen allebei even rusteloos.Wachten maar op de volgende diep grommende ontlading. Het was geen erotische spanning, maar een mij volstrekt onbekende, fysiek elektrische geladenheid.
Misschien hadden ze muthi (traditionele hallucinerende toverkruiden) in mijn avondmaal gedaan in het restaurantje in Davenport. Maar ik denk eerder dat ik teveel Salman Rushdie lees. Wiens creatieve hoofdpersonen aanvankelijk fantasie en werkelijkheid moedwillig door elkaar gooien, waarna ze onherroepelijk in die verwarring worden meegezogen, de regie verliezen en zichzelf. Een voor mij beangstigend maar ook aanlokkelijk spel met controle en verlies van de vaardigheid een situatie te registreren en in te schatten.
De eerste dagen hier heb ik alleen maar gelezen. Bij Grant en Angus in hun grote achtertuin naast het zwembad in Melville, Johannesburg. Het is eigenlijk mijn eerste vakantie sinds de zomer van 2017. De vorige kerstvakantie heb ik doorgewerkt. De afgelopen zomervakantie heb ik mijn boek afgeschreven en mijn crashcursus academisch Indonesisch gedaan. Ik voel nu pas hoe ontzettend moe ik ben.
In Johannesburg was het de afgelopen dagen 's middags steeds zo'n 38 graden. Ik smolt langzaam als een pudding in de zon en sprong dan het zwembad in om niet helemaal in vloeibare gelaagde Rushdiaanse fantasie te verdwijnen. Ik kon enkel lezen; geen letter op het scherm krijgen. Hersens zijn ook pap.
Toch was er genoeg om over te bloggen: de door elektrisch prikkeldraad afgeschermde wereld van een welvarende groene achtertuin met zwembad, de moeite die het kost - mentaal en fysiek - om daar uit te komen, mijn cultural shock na zoveel jaren Indonesië en Javaanse beleefdheid als mijn "eerste vreemde lichaamstaal" die hier he-le-maal niet begrepen wordt, mijn Zuid-Afrikaanse houding proberen te hervinden, alle mislukte pogingen tot communicatie in Zoeloe, mijn vrienden die de welvarende achtertuin kunnen binnenkomen, ieder met verhalen die ik niet op internet kan en wil zetten omdat ze persoonlijk zijn maar zo schrikbarend dat ik er iets mee moet.
Nu ik hier drie jaar niet geweest ben (de langste afwezigheid sinds ik hier voor het eerst kwam in 2007), voel ik weer hoe getraumatiseerd deze samenleving is en hoe ongelijk de pijn van die trauma's verdeeld is tussen witte en zwarte mensen, tussen mannen en vrouwen, tussen volwassenen en kinderen.
De gruwelijkheid van de verhalen van sommige van mijn vrienden en de weerbaarheid die ze desondanks hebben om te studeren, een goede baan te krijgen, familieleden groot te brengen, vrienden te helpen maakt me heel erg boos en ook heel erg nederig.
Rushdies balanceeract tussen werkelijkheid en fantasie, zijn spel met zintuiglijke ervaring en cerebrale uitweiding naar Shakespeare en de Ramayana krijgt er voor mij een extra dimensie, een extra verwarring, een extra gevoel van angst en verlorenheid bij die voor mij - iemand die tot nog toe persoonlijk gevrijwaard is van gruwelijkheid - aantrekkelijk is. Het was de reden dat ik ooit naar Zuid-Afrika kwam: om te voelen dat ook ik moet balanceren, tussen wat ik wil, en kan, en verzin en meemaak. En dat ook ik over het randje kan donderen. Maar ik voel ook dat die balanceeract niet meer aantrekkelijk is zodra het geweld te dichtbij komt - bij mijn vrienden en dierbaren.
De onweersbui van vannacht symboliseerde dat geweld. Rushdie speelt er ook mee: het schijnbaar onschuldig griezelen van een kind ontaardt op een onbewaakt moment in een paranoïde monster dat je verorbert. Mijn bionische heupen werden een geïnternaliseerde klankkast-amplifier-loop station van de donderslagen en lichtflitsen. Ik was overgeleverd aan de Lord of the Sky (genaamd "Zulu"). Over het algemeen ben ik dol op onweer en storm, maar dichter dan dit ben ik nooit geweest bij wat je een existentiële angst zou kunnen noemen. Lucky me.
Elke lichtflits en elke diep aardse rommel leek zijn effect te hebben op mijn lichaam: alsof er spanning in opgeladen werd. Eng wel. En dat opgeladen lijf leek meer flitsen en klappen uit te lokken. Ik had het snikheet, maar tegelijkertijd ook koud van de airco boven mijn hoofd. Ik voelde me koortsig, maar niet ziek. Ik sliep half, maar voelde me op unheimische wijze ook wakker en alert.
Ik voelde ook een rusteloze kriebel in mijn beide heupgewrichten - alsof ze buiten mijn aansturing om moesten bewegen. Zou het metaal in mijn benen de bliksem aantrekken? Maar de een is van metaal en de ander niet - en ze voelen allebei even rusteloos.Wachten maar op de volgende diep grommende ontlading. Het was geen erotische spanning, maar een mij volstrekt onbekende, fysiek elektrische geladenheid.
Misschien hadden ze muthi (traditionele hallucinerende toverkruiden) in mijn avondmaal gedaan in het restaurantje in Davenport. Maar ik denk eerder dat ik teveel Salman Rushdie lees. Wiens creatieve hoofdpersonen aanvankelijk fantasie en werkelijkheid moedwillig door elkaar gooien, waarna ze onherroepelijk in die verwarring worden meegezogen, de regie verliezen en zichzelf. Een voor mij beangstigend maar ook aanlokkelijk spel met controle en verlies van de vaardigheid een situatie te registreren en in te schatten.
De eerste dagen hier heb ik alleen maar gelezen. Bij Grant en Angus in hun grote achtertuin naast het zwembad in Melville, Johannesburg. Het is eigenlijk mijn eerste vakantie sinds de zomer van 2017. De vorige kerstvakantie heb ik doorgewerkt. De afgelopen zomervakantie heb ik mijn boek afgeschreven en mijn crashcursus academisch Indonesisch gedaan. Ik voel nu pas hoe ontzettend moe ik ben.
In Johannesburg was het de afgelopen dagen 's middags steeds zo'n 38 graden. Ik smolt langzaam als een pudding in de zon en sprong dan het zwembad in om niet helemaal in vloeibare gelaagde Rushdiaanse fantasie te verdwijnen. Ik kon enkel lezen; geen letter op het scherm krijgen. Hersens zijn ook pap.
Toch was er genoeg om over te bloggen: de door elektrisch prikkeldraad afgeschermde wereld van een welvarende groene achtertuin met zwembad, de moeite die het kost - mentaal en fysiek - om daar uit te komen, mijn cultural shock na zoveel jaren Indonesië en Javaanse beleefdheid als mijn "eerste vreemde lichaamstaal" die hier he-le-maal niet begrepen wordt, mijn Zuid-Afrikaanse houding proberen te hervinden, alle mislukte pogingen tot communicatie in Zoeloe, mijn vrienden die de welvarende achtertuin kunnen binnenkomen, ieder met verhalen die ik niet op internet kan en wil zetten omdat ze persoonlijk zijn maar zo schrikbarend dat ik er iets mee moet.
Nu ik hier drie jaar niet geweest ben (de langste afwezigheid sinds ik hier voor het eerst kwam in 2007), voel ik weer hoe getraumatiseerd deze samenleving is en hoe ongelijk de pijn van die trauma's verdeeld is tussen witte en zwarte mensen, tussen mannen en vrouwen, tussen volwassenen en kinderen.
De gruwelijkheid van de verhalen van sommige van mijn vrienden en de weerbaarheid die ze desondanks hebben om te studeren, een goede baan te krijgen, familieleden groot te brengen, vrienden te helpen maakt me heel erg boos en ook heel erg nederig.
Rushdies balanceeract tussen werkelijkheid en fantasie, zijn spel met zintuiglijke ervaring en cerebrale uitweiding naar Shakespeare en de Ramayana krijgt er voor mij een extra dimensie, een extra verwarring, een extra gevoel van angst en verlorenheid bij die voor mij - iemand die tot nog toe persoonlijk gevrijwaard is van gruwelijkheid - aantrekkelijk is. Het was de reden dat ik ooit naar Zuid-Afrika kwam: om te voelen dat ook ik moet balanceren, tussen wat ik wil, en kan, en verzin en meemaak. En dat ook ik over het randje kan donderen. Maar ik voel ook dat die balanceeract niet meer aantrekkelijk is zodra het geweld te dichtbij komt - bij mijn vrienden en dierbaren.
De onweersbui van vannacht symboliseerde dat geweld. Rushdie speelt er ook mee: het schijnbaar onschuldig griezelen van een kind ontaardt op een onbewaakt moment in een paranoïde monster dat je verorbert. Mijn bionische heupen werden een geïnternaliseerde klankkast-amplifier-loop station van de donderslagen en lichtflitsen. Ik was overgeleverd aan de Lord of the Sky (genaamd "Zulu"). Over het algemeen ben ik dol op onweer en storm, maar dichter dan dit ben ik nooit geweest bij wat je een existentiële angst zou kunnen noemen. Lucky me.
donderdag 31 december 2015
Highflats revisited
Ik kijk hier weer uit op de molen achter mijn huis met winterlicht.
En twintig uur geleden was ik hier: midden in de groene heuvels bij Ubuhlebezwe, in Highflats.
Ik ben zo blij dat ik gegaan ben - Skho heeft me de afgelopen twee jaar via facebook zo vaak gevraagd waar ik was en waar ik bleef. Ik proefde haar angst dat ik haar zou vergeten.
Omdat ik nu al voor de derde keer in Highflats was, ben ik minder raar. Minder een umlungu (een witte) en meer gewoon Barbara - of Nompilo (mijn Zoeloenaam die Skho mij 5 jaar geleden al gegeven heeft).
Toen ik aankwam zei Skho dat er nu even geen isiNgesi (Engels) meer gesproken zou worden. "Vanaf nu weer isiZulu, Nompilo". OK.
Het is maf hoe je een taal weer oppikt. Ik heb nooit echt Zulu kunnen spreken, maar in Highflats kon ik wel weer de voornaamste onderwerpen van een conversatie volgen, vooral omdat ik bepaalde woorden herken (waaronder veel leenwoorden uit het Engels en Nederlands).
Maar zodra er mét mij gesproken moet worden, dan moet alles vijf keer herhaald worden voor men mij kan helpen met het formuleren van een passende verbale respons. Ik pik veel op maar ben ook heel veel kwijtgeraakt.
Langzaamaan druppelden familieleden binnen, allen met bijbels onder de arm. "Zo meteen is er gebed" zei Skho. "Mensen komen naar ons huis om te bidden voor een goed verloop van 2016." Die gelovige inslag was nieuw voor mij. Ook toen we een dag later weer vertrokken moesten we eerst bidden voor we weg konden. Zuid-Afrika evangeliseert snel. Na eeuwenlange Anglicaanse en Katholieke (deels gedwongen) missie zijn het nu de evangelische pinkstergemeenten uit de VS die een ongelooflijke aantrekkingskracht uitoefenen op Zuid-Afrikanen van allerlei achtergrond.
Toen we met ongeveer 8 mensen waren hief Skho's dochter, Akhona, een hymne aan. Met lange uithalen, vol overgave. De overige aanwezigen antwoordden: een klassiek religieus en muzikaal call-and-responsepatroon.
Het was een magische ervaring. Ik snap echt steeds beter waarom gelovige mensen doorgaans langer leven, gezonder zijn en zich gelukkiger voelen dan niet-gelovigen . En waarom mensen in slechte levensomstandigheden, zoals Skho en haar familie, zoveel kracht putten uit hun geloof. Je deelt iets samen, je wordt deel van iets wat groter is dan jezelf en de synchroniciteit van gezamenlijke rituele handelingen (waaronder muziek maken) maakt dat je je sterk en krachtig voelt.
Het zingen was zo boventoonrijk dat het dak bijna van de hut afvloog en mijn oren begonnen te tuiten: "Siyabonga!" (Heb dank) "Oh Jehovah! Adonai!"
Ik zong mee, maar hoorde mezelf nauwelijks - ik heb een softe half-getrainde blanke-koortjesstem. Kansloos. Ooit kon ik het - Skho heeft het me geleerd: meer op m'n keel zingen en daardoor meer boventonen produceren en klank projecteren. Maar net als met mijn isiZulu weet ik niet meer goed hoe het moet.
Daarna begon iedereen als een gek te bidden, ieder voor zich, razendsnel, en steeds luider. Ik wist maar één gebed uit mijn hoofd, het Onze Vader in het Engels, van die andere christelijke volksstam: de Anglicanen in Oxford met wie ik 4 jaar lang voorgegaan ben in gebed. Dus deed ik die maar. Hier werd immers dezelfde God aanbeden:
Het zingen, bidden en preken ging wel twee uur door en sijpelde toen weer even geleidelijk weg als het aangezweld was. Uiteindelijk waren er nog maar een paar mensen over en toen besloten we er maar mee op te houden. Niet echt een aanvangstijd of een eindtijd, maar gewoon doorgaan zolang je wil.
Toen begon het feest. De bijbels werden weggeborgen, en de flessen bier en sterke drank werden uit de koelkast getrokken. De geluidsinstallatie werd aangezet, er weerklonk boemende maskanda, waaronder de liedjes van Skho zelf die ik zo goed ken. Tijd om te dansen.
Het werd een ongelooflijk vrolijk feest. We hebben tot diep in de nacht gedanst, zussen, neven, nichten, grootmoeder, en zijn daarna gezellig met ons allen in de slaaphut in bed gekropen: vrouwen, kinderen, iedereen gezellig bij elkaar.
Op voorgaande bezoeken voelde ik me zo vervreemd in Highflats: de taalbarrière, de witte freak zijn in de freakshow, het gebrek aan comfort. Nu voelde ik me deel van de familie. We konden het gewoon weer oppakken waar we gebleven waren, zonder veel omhaal.
Wat ben ik blij dat ik gekomen ben, dacht ik terwijl ik naar het dak van de slaaphut keek en de krekels hoorde in de vallei. En wat is vriendschap bijzonder - ik ben zo gewend alles wat me aanstaat aan een persoon uit te spreken, expliciet te maken met woorden, maar dat hoeft helemaal niet. Het kan ook zonder woorden.
De volgende dag ben ik nog tot het middaguur in Highflats gebleven, en zoals dat met goede feesten gaat: die worden in de ochtend gewoon voortgezet.
De mannen gingen aan het biya (Zulu beer): een dikke gistrijke alcoholische drank, die ik voor het ontbijt maar even overgeslagen heb, en ze gingen verder met dansen en zingen.
Ik vroeg me af wat ik ervan moest denken: ik ben in mijn leven menig feestje afgelopen dat 's ochtends weer opgepakt werd. Maar dit was ook heftig doorzuipen in de ochtend en verschillende mannen lagen volkomen lazarus tegen elkaar aan.
Ik kon het niet helpen er toch ook een sociaal probleem in te zien: de uitzichtloosheid van tientallen jaren systematische achterstelling. Skho's dochter, Akhona, heeft vorig jaar eindexamen gedaan. Ze is een zelfverzekerde en intelligente jonge vrouw - ze zou zo arts of rechter kunnen worden - maar Skho heeft het geld niet om haar te laten studeren. Ik help een beetje, waar dat gaat, maar of het vruchten gaat afwerpen?
En ik zie een gewoonte (en misschien ook een noodzaak) - overgedragen van generatie op generatie en zeker niet alleen in Highflats - om die achterstelling te verdoven met drank. Ik werd er verdrietig van, maar ik weet niet of dat terecht is. Gedurende mijn poshe kerstdineetjes in Melville is er immers niet minder gedronken dan in Highflats:
dinsdag 29 december 2015
Maispap
Omdat Skho's zus Nannie pas om 2 uur klaar is met werken, heb ik de ochtend nog in Mackaya Bella. Al uitgecheckt, kamperen op het terras, en tijd om met Brenda, Phumzile en Joseph bij te kletsen. Het guesthouse is van eigenaar gewisseld, maar de staf is gebleven. En er is heel wat roddel uit te wisselen. Dat zet ik lekker op het internet, maar in het Nederlands.
Louise en Jon, de vorige eigenaren, zijn destijds mijn vrienden geworden en dat zijn ze nog steeds. Ze hadden genoeg van het 24 uur per dag beschikbaar moeten zijn, de dronken gasten rond deze tijd van het jaar, het 365 dagen per jaar ontbijt serveren. Ze hebben het guesthouse verkocht en zijn een paar straten verderop gaan wonen in een kleiner huis - het is een opluchting voor ze.
De nieuwe eigenaren zijn OK, maar volstrekt anders: geen Britsige academici, maar rangers van Australische komaf, ze managen het B&B met strakke hand, en volgens Louise te strak. Maar ik heb mijn handen ervan af getrokken, zegt ze. De service is nog steeds uitstekend, de atmosfeer nog steeds relaxed, de gasten nog steeds interessant, wel wat veel slechte grappen en slap geouwehoer de hele tijd van de baas als jeugdherbergvader-type. De honden zijn er niet meer, en in plaats daarvan zijn er twee eigenwijze katten. Dat vind ik dan weer een hele verbetering.
De uren tussen 10 en 12 zijn altijd leuk in Mackaya Bella. Het ontbijt is voorbij, de gasten zijn op stap, de nieuwe gasten nog niet gearriveerd. De eigenaren doen boodschappen. De kamers moeten gedaan, maar er is ook tijd om in de keuken te gaan zitten met een bord pothi (maispap) en te kleppen. En ik heb het altijd heerlijk gevonden om erbij te komen zitten.
Er was veel te vertellen dit keer: Dennis, de tuinman, is vertrokken omdat hij de flauwe jeugdherbergvadergrappen niet trok. Selby, wist ik te vertellen, is niet meer onder ons. Grote schrik - niemand wist dat nog. Louise en Jon worden ontzettend gemist door iedereen van de staf: iedereen moet nu harder werken, er wordt geen rekening gehouden met transportproblemen die iedere Zuid-Afrikaan met een laaggemiddeld inkomen (en dat zijn er heel wat) altijd heeft. En de vreugde was enorm toen ik vertelde dat de zoon van Louise en Jon een kind verwacht. Joseph juichte het uit, begon te dansen, zwaaide met zijn pet. Bijgepraat over het mannenfront (niet veel nieuws van alle kanten) en natuurlijk foto's laten zien van mijn eigen superleuke nichtje. Iedereen smolt.
Toen kwam het zoontje van de nieuwe eigenaren binnen. Jongetje van een jaar of 11, beetje brandallerig zoals jongetjes van die leeftijd dat kunnen zijn, de kat achterna zitten en Brenda lopen klieren. Ik herinner me dat ik dat zelf ook gedaan heb, als kind in Indonesië. Ik had een tolweg gemaakt van de loopgang van de keuken naar de weg. Ik was op de muur langs de loopgang geklommen en als onze kokkin en wasvrouw naar huis gingen in de namiddag - als mijn ouders siësta hielden en niet doorhadden wat ik uitspookte - dan moesten zij tol aan mij betalen. Ik schaam me er nog voor. Groot wit rijk kind dat geld eist van het personeel. Ze moesten altijd lachen en gaven me wat muntjes.
Hier gebeurde net zoiets. "Wat ben je aan het maken?", vraagt het jongetje. "Maispap", zegt Brenda. Hij leunt relaxed op haar schouder. Ze kennen elkaar goed, ze zitten samen te geinen. "Ik kan je daarvoor aangeven, weet je dat?" treitert het jongetje. Iedereen lacht.
Brenda schept een bord maispap voor hem op. Hij begint lekker te smikkelen. "Ik vertrouw magere koks niet" kakelt hij verder. "Kijk naar Phumzile. Kijk naar Slee. Zij zien er lekker vol uit, maar jij" hij wijst naar Brenda met zijn lepel. "Jij proeft het voedsel niet dat je kookt, jij kan me wel bedorven worst voorzetten."
Zowel seksistisch als racistisch. Bravo.
Iedereen giert het uit van het lachen. "Nu heb je je eten met je grote mond" grinnikt Brenda onaangedaan, "maar morgenochtend sta je hier weer te smeken: 'Brenda pleaeaease, please can I have some pothi?'" Nog meer gelach. Het lijkt broederlijk, maar ik vind het erg akelig. Is dat mijn eigen schuldcomplex? Het is in elk geval de voortzetting van apartheidsinteractie in een notendop.
Ik ben blij dat ie weer opgesodemieterd is en wij weer verder kunnen roddelen.
Louise en Jon, de vorige eigenaren, zijn destijds mijn vrienden geworden en dat zijn ze nog steeds. Ze hadden genoeg van het 24 uur per dag beschikbaar moeten zijn, de dronken gasten rond deze tijd van het jaar, het 365 dagen per jaar ontbijt serveren. Ze hebben het guesthouse verkocht en zijn een paar straten verderop gaan wonen in een kleiner huis - het is een opluchting voor ze.
De nieuwe eigenaren zijn OK, maar volstrekt anders: geen Britsige academici, maar rangers van Australische komaf, ze managen het B&B met strakke hand, en volgens Louise te strak. Maar ik heb mijn handen ervan af getrokken, zegt ze. De service is nog steeds uitstekend, de atmosfeer nog steeds relaxed, de gasten nog steeds interessant, wel wat veel slechte grappen en slap geouwehoer de hele tijd van de baas als jeugdherbergvader-type. De honden zijn er niet meer, en in plaats daarvan zijn er twee eigenwijze katten. Dat vind ik dan weer een hele verbetering.
De uren tussen 10 en 12 zijn altijd leuk in Mackaya Bella. Het ontbijt is voorbij, de gasten zijn op stap, de nieuwe gasten nog niet gearriveerd. De eigenaren doen boodschappen. De kamers moeten gedaan, maar er is ook tijd om in de keuken te gaan zitten met een bord pothi (maispap) en te kleppen. En ik heb het altijd heerlijk gevonden om erbij te komen zitten.
Er was veel te vertellen dit keer: Dennis, de tuinman, is vertrokken omdat hij de flauwe jeugdherbergvadergrappen niet trok. Selby, wist ik te vertellen, is niet meer onder ons. Grote schrik - niemand wist dat nog. Louise en Jon worden ontzettend gemist door iedereen van de staf: iedereen moet nu harder werken, er wordt geen rekening gehouden met transportproblemen die iedere Zuid-Afrikaan met een laaggemiddeld inkomen (en dat zijn er heel wat) altijd heeft. En de vreugde was enorm toen ik vertelde dat de zoon van Louise en Jon een kind verwacht. Joseph juichte het uit, begon te dansen, zwaaide met zijn pet. Bijgepraat over het mannenfront (niet veel nieuws van alle kanten) en natuurlijk foto's laten zien van mijn eigen superleuke nichtje. Iedereen smolt.
Toen kwam het zoontje van de nieuwe eigenaren binnen. Jongetje van een jaar of 11, beetje brandallerig zoals jongetjes van die leeftijd dat kunnen zijn, de kat achterna zitten en Brenda lopen klieren. Ik herinner me dat ik dat zelf ook gedaan heb, als kind in Indonesië. Ik had een tolweg gemaakt van de loopgang van de keuken naar de weg. Ik was op de muur langs de loopgang geklommen en als onze kokkin en wasvrouw naar huis gingen in de namiddag - als mijn ouders siësta hielden en niet doorhadden wat ik uitspookte - dan moesten zij tol aan mij betalen. Ik schaam me er nog voor. Groot wit rijk kind dat geld eist van het personeel. Ze moesten altijd lachen en gaven me wat muntjes.
Hier gebeurde net zoiets. "Wat ben je aan het maken?", vraagt het jongetje. "Maispap", zegt Brenda. Hij leunt relaxed op haar schouder. Ze kennen elkaar goed, ze zitten samen te geinen. "Ik kan je daarvoor aangeven, weet je dat?" treitert het jongetje. Iedereen lacht.
Brenda schept een bord maispap voor hem op. Hij begint lekker te smikkelen. "Ik vertrouw magere koks niet" kakelt hij verder. "Kijk naar Phumzile. Kijk naar Slee. Zij zien er lekker vol uit, maar jij" hij wijst naar Brenda met zijn lepel. "Jij proeft het voedsel niet dat je kookt, jij kan me wel bedorven worst voorzetten."
Zowel seksistisch als racistisch. Bravo.
Iedereen giert het uit van het lachen. "Nu heb je je eten met je grote mond" grinnikt Brenda onaangedaan, "maar morgenochtend sta je hier weer te smeken: 'Brenda pleaeaease, please can I have some pothi?'" Nog meer gelach. Het lijkt broederlijk, maar ik vind het erg akelig. Is dat mijn eigen schuldcomplex? Het is in elk geval de voortzetting van apartheidsinteractie in een notendop.
Ik ben blij dat ie weer opgesodemieterd is en wij weer verder kunnen roddelen.
Hitting the road
Gisteren heb ik de hele dag mensen gezien. Iedereen die ik wilde zien, bleek er te zijn, en iedereen maakte tijd om koffie met me te drinken, te lunchen, naar een concert te gaan, tot laat na te praten buiten op het terras in de zwoele Durbanbries met brulkikkers op de achtergrond. Wow. Niemand is me vergeten hier, na 2,5 jaar afwezigheid. Iedereen zo blij me weer te zien. En ik hen.
Vanmiddag ga ik naar Highflats om Skho op te zoeken. Drie uur rijden, eerst langs de kust naar het zuiden en dan bij Scottburgh de heuvels in. Ik heb er over gedacht zelf te rijden, maar ik durf het niet. Ze rijden hier links, met de versnellingspook aan de andere kant. Heel KwaZulu-Natal viert vakantie aan de Durbanse stranden, de wegen zitten tjokvol. Ik ga het risico niet nemen.
Ik heb boodschappen gedaan om voedsel mee te nemen. Dat doe je als je uit de stad komt: porridge, worst, zoete aardappelen, ingeblikt fruit, bonen en een stevige zak muffins. Viavia heb ik een chauffeur gevonden. Het zal anders zijn, zonder Selby - we praatten altijd over maskanda, over onze families, over Zuid-Afrikaanse politiek en aten samen pakken koekjes leeg, - dat is er niet meer....
Eerst halen we Skho's zus op, die in een supermarkt op Victoria Embankment werkt, en haar zoon, en dan gaan we rijden. Lungisani, de chauffeur, verheugt zich er al op, zei hij. Lang rijden, veel gezellige mensen, veel te zien.
In Highflats is geen stromend water en alleen soms electriciteit. Ik heb waarschijnlijk ook geen ontvangst voor mijn telefoon. De vorige keer dat ik er was was het heel gezellig: samen koken, samen eten, daarna dansen bij een vuurtje en met wel vijf meiden in één bed de nacht doorbrengen. Ik weet (dankzij het blog) ook nog hoe vervreemd ik me voelde: taalbarrière, de hele tijd in het centrum van de aandacht staan, soms zelfs de freak in een freakshow zijn. Goed om me daar nu mentaal op voor te bereiden.
En dan gaat woensdag alles razendsnel: ik kan tot in de middag in Highflats blijven, dan pikt Lungisani me op om me naar de luchthaven te brengen: om 7 uur vlieg ik naar Johannesburg waar ik een uurtje later aankom, om middernacht gaat mijn vlucht naar Amsterdam (als het vliegtuig geen technische mankementen heeft) en dan ben ik voor het middaguur al weer thuis. In 20 uur van Highflats naar Utrecht. Weirrrrd...
Vanmiddag ga ik naar Highflats om Skho op te zoeken. Drie uur rijden, eerst langs de kust naar het zuiden en dan bij Scottburgh de heuvels in. Ik heb er over gedacht zelf te rijden, maar ik durf het niet. Ze rijden hier links, met de versnellingspook aan de andere kant. Heel KwaZulu-Natal viert vakantie aan de Durbanse stranden, de wegen zitten tjokvol. Ik ga het risico niet nemen.
Ik heb boodschappen gedaan om voedsel mee te nemen. Dat doe je als je uit de stad komt: porridge, worst, zoete aardappelen, ingeblikt fruit, bonen en een stevige zak muffins. Viavia heb ik een chauffeur gevonden. Het zal anders zijn, zonder Selby - we praatten altijd over maskanda, over onze families, over Zuid-Afrikaanse politiek en aten samen pakken koekjes leeg, - dat is er niet meer....
Eerst halen we Skho's zus op, die in een supermarkt op Victoria Embankment werkt, en haar zoon, en dan gaan we rijden. Lungisani, de chauffeur, verheugt zich er al op, zei hij. Lang rijden, veel gezellige mensen, veel te zien.
In Highflats is geen stromend water en alleen soms electriciteit. Ik heb waarschijnlijk ook geen ontvangst voor mijn telefoon. De vorige keer dat ik er was was het heel gezellig: samen koken, samen eten, daarna dansen bij een vuurtje en met wel vijf meiden in één bed de nacht doorbrengen. Ik weet (dankzij het blog) ook nog hoe vervreemd ik me voelde: taalbarrière, de hele tijd in het centrum van de aandacht staan, soms zelfs de freak in een freakshow zijn. Goed om me daar nu mentaal op voor te bereiden.
En dan gaat woensdag alles razendsnel: ik kan tot in de middag in Highflats blijven, dan pikt Lungisani me op om me naar de luchthaven te brengen: om 7 uur vlieg ik naar Johannesburg waar ik een uurtje later aankom, om middernacht gaat mijn vlucht naar Amsterdam (als het vliegtuig geen technische mankementen heeft) en dan ben ik voor het middaguur al weer thuis. In 20 uur van Highflats naar Utrecht. Weirrrrd...
Abonneren op:
Reacties (Atom)





















