donderdag 11 juli 2013

Ngisaphila



In het vliegtuig heb ik hard op mijn Zoeloe zitten oefenen. Toen ik hier langer zat, in 2008 en 2009, had ik elke week les op de universiteit: alle grammatica gehad (wel 15 declinaties en alles verbuigt mee), schrijven, spreken, een woordenschat van duizenden woorden. Mijn beheersing van de taal is het rudimentaire stadium nooit ontstegen, maar met een beetje oefenen komt dat wat ik weet ook vrij snel weer terug. Brenda en Phumzile helpen me met oefenen.

Gisteren trof ik Njabulo in het BAT Centre. Daar heeft hij een winkeltje waar hij West-Afrikaanse trommels verkoopt, en daar treedt hij vaak op als drummer. Het gaat goed met hem. Hij speelt mee met de vermaarde maskandaster Phuzekhemisi, die hem mee op tournee naar de VS wil nemen, en zijn winkeltje gaat binnenkort online, zodat hij ook orders van buiten Durban binnen kan krijgen. Toch heeft hij, net als alle musici, moeite om de eindjes aan elkaar te knopen, en hij wil maar niet van me aannemen dat dat in Europa voor de meeste musici niet anders is.

We besloten naar Florida Road te gaan; daar heb je gezellige restaurantjes en we wandelden van de haven naar de taxibusjesstandplaats. Onderweg kwamen we wel vijf mensen tegen die hij kent (Durban is wat dat betreft net Utrecht) en als je iemand tegenkomt dan begroet je elkaar in Zoeloe heel uitvoerig, waarbij je elkaar steeds antwoordt. Sawubona (wij zien je) – Yebo (ja) – Unjani? (hoe gaat het met je?) – Ngisaphila (ik leef). Wena unjani? (hoe gaat het met jou?) – Ngisaphila nami (ik leef ook) – Ngijabula ukukwazi (ik ben blij je te ontmoeten) – enz. Je gaat niet verder met een gesprek voordat je door de begroeting heen bent, anders ben je heel onbeleefd. Die begroeting is dus één van de weinige dingen waarover ik niet meer hoef na te denken. Die rolt er gewoon uit, en daar ben ik heel trots op.

De eerste van Njabulo’s kennissen die we tegenkwamen begon hartelijk te schateren toen ik Ngisaphila zei. Hij lachte een enorme gouden voortand bloot. “Ngiiiisaaaaphiiiiiilaaaa” bauwde hij me na. “Het lijkt wel of je het van papier leest.” “Dat is ook zo” zei ik. Ik kan Zoeloe eigenlijk niet onthouden en reproduceren als ik geen woordbeeld in mijn hoofd heb. “Wij zeggen het niet zo” legde de gouden voortand uit. “Je moet het zachter zeggen. Door de manier waarop jij het uitspreekt lijkt het net alsof je me op wilt eten.” “Ja, zo zit ik een beetje in elkaar,” zei ik. “Sommige mensen schrikken zich daar een hoedje van.” “Ik schrik er niet van,” zei de gouden voortand, “maar zeg het iets afwachtender, iets dichter bij jezelf en iets minder direct naar de ander: Ngsaphiiil…”

Dit is de beste Zoeloeles die ik ooit heb gehad, dacht ik bij mezelf, en ik bedankte de gouden voortand uitvoerig voor zijn advies. In Zoeloe zitten niet alleen klikklanken, maar ook veel lucht en slis en aspiratie. Die klanken vind ik bijzonder, dus die loop ik enorm te overdrijven. Dan klinkt het als Zoeloe voor mij. Maar voor een Zoeloe klinkt het als een karikatuur en in mijn ijver en enthousiasme ben ik net een jonge hond die tegen iedereen op aan het springen is. Er zitten zoveel non/verbale aspecten aan een taal, en die vertellen me wat over hoe mensen (onder wie ikzelf) zich tot elkaar verhouden. Dat heet 'cultuur' geloof ik. Leuk.   

dinsdag 9 juli 2013

Thuiskomst

Er is geen tijdsverschil tussen Nederland en Zuid-Afrika, maar toch heb ik een beetje een jetlag. Elf uur vliegen, een nacht in een Johannesburgs luchthavenhotel en vanmorgen om half 6 weer inchecken voor het laatste stukje naar Durban. Pfff: afgewerkte lucht, plastic maaltijden, en net een tikje teveel Zuid-Afrikaanse soapseries voor het slapengaan. Luxeproblemen.

Maar op King Shaka International Airport woei Durbans zwoele bries van zee, en stond Selby op me te wachten. Hij heeft me hier in de afgelopen jaren altijd overal heengechauffeurd, ook naar de plekken waar ik zonder hem niet heendurf. Hij was ontzettend blij me na twee jaar weer te zien, en dat was wederzijds. Alles weer zoals vanouds: herinneringen ophalen aan onze eerdere tochten, zijn dochter doet het goed, zijn taxibedrijf is weer op aan het krabbelen na de crisis, en natuurlijk had hij lekker hard maskanda aan in de auto.

Maskanda in de auto is nu nog leuker geworden, want Selby heeft een dvdspeler geïnstalleerd. Dan kan hij naast het bellen en smsen tijdens het rijden, ook nog maskanda kijken. En maskanda met beeld is véél leuker dan maskanda zonder beeld, kijk maar naar de volgende YouTube-voorbeelden. Selby had een leuk liedje voor me van de nieuwste dvd van maskandaster Thokozani Langa. (Daar is helaas geen YouTube-filmpje van.) Selby legde me het verhaal uit: echtelijke strubbelingen, want mevrouw wil niet meer dat meneer haar aanraakt, en als hij dat dan toch doet, verkrijgt ze moeiteloos een “protection order” van de politie. Meneer in alle staten: hij heeft immers lobola (bruidschat) voor haar betaald, dus zijn rechten als echtgenoot worden hier op grove wijze geschonden. Meneer naar de sangoma (traditionele genezeres) om de kwade geesten weg te wassen, maar mevrouw wil nog steeds niet. Meneer staat op het punt zelfmoord te plegen. Dat heb je met die moderne vrouwen: alle verhoudingen verziekt, de traditie onomkeerbaar naar de knoppen, en de genen worden ook al niet doorgegeven.

Selby en ik moesten er erg om giechelen, in een mengelmoes van leedvermaak en ongemakkelijkheid. Toen we bij Mackaya Bella Guesthouse aankwamen stonden Brenda en Phumzile ons op te wachten, ook dolblij om me weer te zien: “sit down, Barbra, sit. This is your house. You are home now. Sit and eat.” En dat laat ik me doorgaans geen twee keer zeggen.

Selby kreeg ook ontbijt van de twee dames, en ik was toch wel nieuwsgierig wat zij nu van dat liedje van Thokozani vonden. Brenda heeft een ruime portie traditioneel patriarchaat voor haar kiezen gehad (zie mijn blogpost Babbelas), dus er ontspon zich een levendige discussie, half in het Zoeloe, half in het Engels. Selby voerde aan dat vrouwen een man een hoop kosten, niet alleen aan lobola, maar ook aan kopzorgen, nieuwe kleren en andere (koop)driften. Daar mag een man best iets voor terugvragen. Ik opperde dat een vrouw die lasten misschien over meer mannen moet verdelen. Ik vind het wel iets om mijn ene vriendje mijn nieuwe schoenen te laten betalen en een ander vriendje ons avondje uit, terwijl ik bij een derde vriendje kan uithuilen als ik even te hysterisch word. Eigenlijk doe ik dat nu al zo. Dat vond Brenda ook wel een goed idee. “Dan neem ik jou als man erbij” zei ze tegen Selby, “dan kun jij mij naar de disco brengen en dan geef ik jou af en toe een massage. Wat vind je daarvan?” Dat vond Selby ook wel wat. “Wel lobola betalen”, zei Brenda. “Daar heb ik het geld niet voor”, zei Selby. “Dan niet”, zei Brenda beslist.

“Uiteindelijk”, zei Brenda, “komt het aan op vertrouwen in God. Die zorgt voor de goede man of vrouw voor je.” Selby trok een wenkbrauw op. “Heb je hem ooit gezien, die God?” vroeg hij de dames. “Ik denk persoonlijk dat God een beetje moe is op het moment, als je ziet wat een rotzooitje het is in de wereld. Hij heeft simpelweg teveel op zijn bordje. Ik denk dat ie een assistent nodig heeft.” Hij keek mij veelbetekenend aan en begon te grinniken. Ik grinnikte terug, want ik had het zelf niet beter kunnen zeggen.

De stemming sloeg om. “God is niet gemaakt van dit materiaal” tierde Phumzile tegen Selby en kneep hem in zijn arm. “God is een spirit. En jij moet je houding nodig veranderen, anders krijg je Hem nooit te zien!” Op hetzelfde moment boog Brenda zich naar me toe en begon een gospelliedje in mijn oor te zingen. Selby krabbelde terug. “Ik vertrouw in God” zei hij haastig. “maar hij is moe, moe, moe. Dat zie je toch? Waarom gebeuren er anders al die dingen?” “God geeft je een keus” wierp Brenda tegen, “en als je je kans niet grijpt dan is ie verkeken.” Selby dronk zijn kop koffie leeg en vertrok, overigens iedereen in een goede stemming achterlatend. Ik ging mijn koffer uitpakken, en voelde me thuis in mijn vervreemding. Pffff, deeeep. Ik moet nodig gaan slapen.

Met Selby, zijn vrouw en kleindochter bij een concert van Johnny Clegg, 14 juli 2013

woensdag 13 juli 2011

Terug (3)

Al mijn herinneringen aan intercontinentale vluchten (vanaf mijn derde ongeveer) beginnen met de vreemde staat waarin ik enkele uren voor de vlucht terecht kom. Een soort niemandsland. Een soort tijdloosheid. Een afgesneden zijn van de plek waar ik van vandaan ga en van alle mensen die die plek bevolken. Meer nog dan anders kan ik van een afstandje naar mensen en dingen kijken en luisteren en ze ruiken, omdat ik weet dat ik de volgende dag weer gewoon in de Plus op de Voorstraat in Utrecht mijn pak yoghurt, en broccoli met een tartaartje koop.

Het is een onthecht gevoel, maar ergens ook wel prettig, omdat al mijn zintuigen in een verhoogde staat van paraatheid lijken te zijn (wat niet zo handig is als je 11 uur lang in een koker in de lucht moet hangen met je knieën tegen de stoel van je buurman).

Nog steeds vind ik het winterlicht van Johannesburg iets fenomenaals: het groen van de bomen is groen, en het blauw van de hemel is blauw, en het licht filtert door de bladeren. De lucht geeft me een gevoel van ruimte, ookal is Johannesburg vergeven van de smog. Ik kan voelen dat ik op 1800 meter hoogte zit, en die associatie ken ik alleen maar van de bergen in Indonesië. Fris, leeg, stil, ruimtelijk. Heerlijk.

Vanavond vlieg ik terug naar Nederland en vanmiddag had ik een afspraak met een kennis uit Pretoria. Dat was een beetje ver voor mij in een taxi, dus we spraken af in Sandton (in Johannesburg maar dicht tegen Pretoria aan), op het Nelson Mandelaplein. Madiba wordt een dezer dagen zoveelennegentig, maar niemand heeft in geen maanden meer iets van hem vernomen. Sommigen vragen zich af of hij nog wel onder ons is.

Op het Nelson Mandelaplein staat een grotesk standbeeld van de vader van de natie. Ik was een beetje vroeg, dus ik stond in de winterzon op het plein naar het standbeeld te kijken en naar de mensen eromheen, in mijn plezierige staat van onthechting ter voorbereiding op mijn verblijf in de vliegende en brullende cocon van de KLM.

In Sandton woont en werkt de rijkere middenklasse van Zuid-Afrika. Mensen die iets te besteden hebben en vinden dat ze iets te vertellen hebben. Het plein was bedrijvig; Madiba zou er met plezier naar kijken: een Afrikaner familie begroet elkaar met blije singsongerige kreten vol "Ag" en "Lekker". Een Indiase familie, gesluierd en wel, steekt sloffend het plein over terwijl kinderen en kleinkinderen er in winkelwagentjes omheen racen. Zwart en wit worden betekenisloos in nette kantoorpakken. Iedereen wil op de foto met de reusachtige Madiba in brons, inclusief de Japanse toeristen. Ze omhelzen zijn been innig.

Ik moest denken aan de opmerking die Louise enkele jaren geleden maakte, tijdens mijn eerste verblijf in Durban in 2008: de criminaliteit is verschrikkelijk, zei ze, en het gevoel van onveiligheid ook, maar ik kan je vertellen dat het niet half zo erg is als de apartheid, toen we - ook als blanken - bang moesten zijn om met iemand met een andere huidskleur over straat te gaan.

Sommige van mijn vrienden, ook zwarte, vinden dat Madiba's tijd gekomen is. Maar dat durven ze niet hardop te zeggen. Hij is een icoon, net als Miriam Makeba en Hugh Masakela en een land wordt niet volwassen als het zich blijft vastklampen aan iconen, hier vervat in monsterlijk brons. Het is niet voor niets dat hij zich wijselijk heeft teruggetrokken uit het openbare leven.

Maar nu zijn verjaardag nadert, klinkt op alle radiostations zijn stem. Met de Zoeloe taxichauffeur die me naar Sandton reed, hoorde ik hem uit archiefopnamen spreken over menselijke waardigheid en vrijheid. Weet je wie dat is? vroeg de chauffeur me met verstikte stem. 'Het is Madiba' zei ik en ik won de jackpot. 'He is the father of our nation' zei de chauffeur en hij hield de volgende vijf minuten niet op met stralen.

Als 'honorary South African' (zoals mijn vrienden me nu noemen), tegen wil en dank geobsedeerd door de verschillende bevolkingsgroepen van dit land, denk ik: wanneer zegt een Zoeloe zoiets over een Xhosa? Gewone Zoeloes vinden Xhosa's arrogante klootzakken, net als Wildersstemmers uit Limburg niks van cultuurminnende randstedelingen moeten hebben. Ze verdelen de baantjes en verpatsen het geld van de belastingbetaler met linkse hobby's. Maar Madiba wordt niet gezien als Xhosa, hij staat boven al dat gesodemieter over afkomst, taal, en klasse. Wat gebeurt er als hij er niet meer is?

Madikwe

Het natuurreservaat Madikwe, aan de grens met Botswana en aan de rand van de immense Kalahariwoestijn, is op zijn eigen manier spectaculair. Struikgewas, savanne, maar met een weidsheid die ik in Europa nooit ben tegengekomen. De weg verdwijnt aan de horizon. En verder is er niets. Lijkt het. Want tussen het struikgewas leven de meest uiteenlopende wilde dieren. En het is eten of gegeten worden. Onderstaande geschoten buit is niet geschikt voor mensen met een zwakke maag en vegetariërs.

Ik heb genoten.

The big five: olifant, buffel, neushoorn, leeuw en luipaard hebben we allemaal gezien, afgezien van de grote hoeveelheid impala [antilopes], koedoes [herten], een hyena, veel giraffen, en een oneindige hoeveelheid vogels.


Dit is geen onschuldig rund, niet voor niets één van de grote vijf. Als je een stier kwaad maakt dan is het snel gebeurd met je.






Kijk ook naar de vogeltjes op de nek van de giraf, die hem verlossen van teken en andere insecten. Mooie symbiose.


Een bruine hyena, zie je niet vaak.


Neushoorns. Zeldzaam schuwe dieren en niet zonder reden want er wordt verschrikkelijk gestroopt. Hun hoorns worden gebruikt voor traditionele Oost-Aziatische geneesmiddelen en Chinese handelaren betalen er kapitale bedragen voor. Ze waren snel weer weg.


Met z'n zessen op stap. Erg gezellig. Erg wit. Dat wel.






Boven alive and kicking, maar hieronder...




...een op hol geslagen olifantenstier moest afgemaakt worden en wordt aan de wilde dieren gelaten, ...


...maar deze leeuw is eigenlijk zieliger. Hij kon zich nu nog te goed doen aan de afgemaakte olifant, maar toen hij opstond, liep hij mank. Mank lopen betekent niet kunnen jagen - niet kunnen eten - verhongeren. Deze leeuw is ten dode opgeschreven. Ben blij dat ik mijn voedsel niet meer hollend hoef te verzamelen...




En dit was de catch van de hele trip: een luipaard! Een prachtige elegante kat die zich alleen sporadisch laat zien, maar deze was tamelijk relaxed, hoewel hij op een gegeven moment wel echt genoeg had van al die lampen op zijn hoofd.




Lekke band! Iedereen uit de auto, en kijken of er geen wilde dieren in de buurt zijn. Gelukkig was er een ranger in de buurt die een reserveband bij zich had, want de onze had geen reserveband meer.


Giraffen kunnen zich goed tegen leeuwen verdedigen. Met één trap met hun lange benen kunnen ze een leeuw doodslaan. Maar ze moeten ook slapen, en in tegenstelling tot paarden slapen ze niet staand. Op zo'n moment kan een leeuw toeslaan en dat hebben deze jongens gedaan.


Ze bewaken hun buit tegen hyena's, luipaarden en roofvogels. Intussen eten ze zich vol en liggen verzadigd met bolle buiken de verte in te staren of te slapen.


We konden heel dichtbij de leeuwen komen omdat ze het voertuig waar we inzitten als een vreemd maar wel bekend groot dier zien waar ze niet zo nodig iets mee moeten. Zodra je opstaat, of een arm uit de (verder helemaal open) auto steekt, herkennen ze je als mens en kunnen ze je aanvallen. Maar zolang je ze niet als mens herkennen is er niets aan de hand.

donderdag 7 juli 2011

Durban in megaspeed

De afgelopen twee dagen heb ik Durban in megaspeed gedaan. Ook daar was het ongewoon koud en regenachtig. Toepasselijk voor een eetafspraak op maandagavond met mijn ex, die – zoals ik verwacht had – de ene helft van zijn rol in het verhaal zwaar overdreven vond en zich de andere helft gemakshalve niet meer kon herinneren. Wat een onvolwassen klojo. Blij dat dat hoofdstuk nu definitief afgesloten is.

Dinsdagmorgen op de universiteit: met Sazi praten over de boventoonreeksen van de uMakhweyana bow, lekkere hardcore musicologie, die ook voor maskanda relevant is. Daarna lunch met vrienden in het Jaipur Palace – want zonder curry en soji kun je Durban niet bezocht hebben.

En ‘s middags was Selby er, die me eerst naar het BAT-Centre bracht om Njabulo op te halen. Njabulo heb ik leren kennen in Nederland toen hij met de nu wijlen Shiyani Ngcobo op tournee was als djembéspeler. Naast het bespelen van West-Afrikaanse percussie is Njabulo timmerman en ik ben udadewethu (zijn sis). Daarna naar het Stables Theatre waar Skho aan het repeteren was. Donker intussen. Razend verkeer rond Warwick Triangle, zwermende mensenmassa op weg naar huis, een minibustaxi die voor onze ogen (maar ver buiten ons bereik) uit de bocht vloog. Selby moest naar huis. Skho was nog niet klaar met repeteren. Op zo’n moment ben ik blij dat ik weet wie ik kan vertrouwen en wie niet. Njabulo is mfuwethu (mijn broer) en er zijn geen onderliggende verwachtingen op allerlei vlak die tot onverwachte situaties kunnen leiden, omdat we het daar uitgebreid over gehad hebben en die uitgesloten en terzijde geschoven hebben. Ik waardeer nu wat een groot goed het is om daar gewoon over te kunnen praten. En hoe zeldzaam dat is in deze patriarchale contreien.

Selby stuurde één van zijn hulpchauffeurs en liet me met een gerust hart achter; in de twintig minuten dat we in het donker stonden te wachten en keken hoe de taxibus werd weggesleept heb ik alleen maar met aardige mensen gesproken. Ik voelde me geen moment onveilig. En ik verbaasde me weer over de angststuip waar veel Zuid-Afrikanen in verkeren. Vlak bij de haven is een weg waar Mageshen vroeger altijd met een rotvaart doorheen reed. Ontzettend onveilig daar, met die hostels en ruwe havenarbeiders op straat. Gister reed ik er met Sazi doorheen en vroeg: het is hier gevaarlijk he? Neehoor, zei Sazi, hier is nog een gevoel van een traditionele gemeenschap; mensen letten op elkaar. Het is hier veel veiliger dan in andere delen van de stad.

Skho, Njabulo en ik reden naar Florida Road, het uitgaansgebeuren in Durban. Skho had me vorig jaar al een Zoeloenaam gegeven, Nompilo (niet geheel zonder achterliggende reden) en nu leerde ik de vele verschillen tussen deep zulu en urban zulu. Andere woorden, andere uitspraak. Skho, mijn leeftijd, spreekt deep zulu, van het platteland, Njabulo, 10 jaar jonger, beheerst het plattelandszoeloe niet meer zo goed. Hij spreekt een urban zulu en ze hebben soms moeite elkaar te verstaan.

We moesten op tijd klaar zijn met eten, anders konden Njabulo en Skho geen vervoer meer krijgen naar de township. Sazi gaf ons een lift in zijn van. Joepie! Achterin het bakkie! Sinds Indonesië niet meer gedaan. Lekker scheuren door de stad. Weer langs Warwick Triangle, naar het busstation. Nog zo’n levensgevaarlijke plek waar niets aan de hand is. Ugh. Ik blijf heus voorzichtig doen hoor. De statistieken spreken boekdelen, maar dat neemt nog steeds niet weg dat het leeuwendeel van de mensen je gewoon goedgezind is.

Daarna met Sazi en Xolani de hele avond muziek zit luisteren in Xolani’s flat en rooibosthee met whiskey gedronken. De heren vonden dat mijn ex mijn geld aan me terug moet geven. How are we gonna get Barbs her money back? Ze stelden voor om een paar jongens op te trommelen die hem ‘het zonder probleem in een paar uur tijd zouden kunnen laten terugbetalen’. Wat gebeurt er als hij niet betaalt, vroeg ik. Xolani wreef eens over zijn bebaarde kin. ‘Oh, he will pay’ zei hij rustig. Ik kreeg het een beetje benauwd. Allerlei oncontroleerbare scenario's borrelden in mijn hoofd op. Mageshen een paar gitaarvingers laten missen is natuurlijk niet moreel verantwoord, maar wel een aanlokkelijk idee. Maar zijn kleine nichtje met een kogel in d’r hoofd in de goot is een ander verhaal. Laat maar, zei ik. Geld is niet belangrijk. Het blijft moeilijk in Zuid-Afrika: inschatten hoe de vlag erbij hangt, want Sazi en Xolani maakten natuurlijk gewoon een grapje. Ik zat weer even in een wantrouwigheidsstuip. Toch gevaarlijk hè, die Zoeloes. Ze konden erom lachen.

Mijn hoofd en hart raakten helemaal opgeruimd van een goede strandwandeling een paar uur voordat ik vertrok: uitwaaien op het beachfront, mooi laag winterlicht achter de bergen zien, en de roep van de oceaan voelen, maar er toch niet inspringen. Het mooiste was een grote heldere regenboog over de baai van Durban. Hij kwam helemaal uit de baai omhoog en reikte door tot diep in de zee: mooie symboliek voor de regenboognatie, het samengaan van regen en zonneschijn en “closure”.

Nu zit ik in Johannesburg in Melville – het Montmartre van Zuid-Afrika - in Grant en Angus’ prachtige huis naar pianoconcerten van Mozart te luisteren naast een zelf aangestoken houtkachel en ik eet een avocado uit eigen tuin. Zaterdag vertrekken we voor een weekendje weg. Zuid-Afrika laat me nog steeds duizelen, en soms heb ik dat nodig om te weten dat ik leef.

zondag 3 juli 2011

Ras

Ik ben op bezoek in een land dat ik nu een beetje ken. Ik kan me er soms deelgenoot van voelen en er soms als buitenlander van een afstandje naar kijken. (Die illusie koester ik tenminste.) Hoe langer ik er ben, hoe bewuster ik heen en weer beweeg tussen participatie en observatie, maar ze raken vanzelfsprekend ook steeds meer verstrengeld.

Vorig jaar al voelde ik dat het spannende-nieuwe-dingen-kijken/horen minder belangrijk werd, en het bestuderen-van-mijn-eigen-positie-ten-aanzien-van-die-dingen belangrijker. Mijn exotisme kreeg meer reliëf, maar het blijft exotisme, als ik eerlijk ben. Ik weet soms niet wat ik met dit land moet, wat ik met dit onderzoeksonderwerp moet, voel me hopeloos vervreemd en tekortschietend, maar juist dat onbehagen is een voorwaarde om onderzoekend te kunnen blijven en er hopelijk ooit iets zinnigs over te kunnen schrijven.

Ik was gisteren weer op zo’n ontzettend ‘wit’ feestje in Durban. En ik heb de neiging daar nogal pedanterig over te doen: nog geen 10% witten in dit land en toch kun je het voor elkaar krijgen om een feest met vijftig man te geven, waar welgeteld 2 Indiërs en 1 zwarte peuter rondlopen (de witte vader van de peuter was er wel, maar de zwarte moeder niet). Waarom ben ik me bij elke Zuid-Afrikaanse gelegenheid bewust van de quota? Dit land is nog steeds volstrekt geobsedeerd door ras en ik word hoe langer hoe meer deel van die obsessie.

De wetenschappelijk medewerkers van de Universiteit van KwaZulu-Natal op het feestje uitten een groot gevoel van angst en bedreigdheid. Want het nieuwe beleid op de universiteit is: alle oude witte mannen moeten weg. Oprotten. Kennis en ervaring doen er niet meer toe. Huidskleur wel. De rollen lijken omgekeerd. Ik snap die angst heel goed, en kan me goed inleven in de woede over een voortgezet (gespiegeld) racisme.

En toch – weet ik van veel (witte en niet-witte) Zuid-Afrikaanse vrienden – hebben veel witte Zuid-Afrikanen (ook de meest uitgesproken antiracistische) een onbewust, onbekritiseerd gevoel van ‘entitlement’. Het is vanzelfsprekend een groot huis met een grote tuin en drie man personeel te hebben, want je kunt het betalen. Het is vanzelfsprekend een goed betaalde baan te hebben, want je hebt er de kwalificaties voor. Het is vanzelfsprekend niet-witte Zuid-Afrikanen vriendelijk doch beslist te laten weten hoe de vork aan de steel zit, want je kunt er heus vanuit gaan dat jij je zaakjes beter op orde hebt dan zij. Mijn niet-witte Zuid-Afrikaanse vrienden worden er razend van, vooral omdat deze houding voortkomt uit een zelfverklaarde progressiviteit en rassenblindheid. Daarmee wordt elk tegengeluid doodgeslagen, met name het tegengeluid dat deze voorrechten zonder apartheid waarschijnlijk niet verworven zouden zijn.

Juist die afwezigheid van een tegengeluid maakt het zo gecompliceerd: als zelfverklaarde antiracist maak ik een statement als ik verklaar dat ik Zoeloe-, Xhosa-, Tsonga-, Indiase, EN Afrikanercontacten heb. Een dergelijke verklaring geeft me kosmopolitische en antiracistische status, terwijl die verklaring in wezen racistisch is, want niemand weet waar ik naar verwijs als ik het over deze bevolkingsgroepen heb: uiterlijk? taal? culturele waarden? muziek? ...

Door mijn contacten met niet-witte Zuid-Afrikanen ben ik me bewust geworden van de betrekkelijkheid van mijn eigen rassenblindheid, en het gapende gat tussen mijn intenties ("ras is een constructie") en mijn gedrag (opluchting als het gefluit naar mij in een verder verlaten straat van een witte man blijkt te komen en niet van een zwarte).

En niks menselijks is me vreemd. Ik vind een groot huis met een veranda en een tuin vol bougainvillea’s en bananenbomen en drie man personeel ook heeeerrrlijk. En ik leg andere mensen – beroepsgedeformeerd als ik ben – ook graag uit hoe de wereld in elkaar zit. En ik wil ook geen incompetente idioot op een verantwoordelijke positie in mijn werkomgeving. Al deze universeel menselijke behoeften worden in Zuid-Afrika raciaal ingevuld. _Nog steeds…_, of misschien _al…_. Want soms heb ik het gevoel dat dat ook in Europa steeds vaker gebeurt.

Midwinter

Het is zaterdagmiddag kwart over vijf, bijna donker en ik ben in Durban onder dak in Mackaya Bella guesthouse. Er is nog weinig veranderd sinds ik hier in augustus 2008 voor het eerst neerstreek. En eindelijk ben ik wat opgewarmd na 5 dagen in een steenkoud Grahamstown.

Kou is een relatief begrip (net als pijn en warmte en liefde, denk ik). Het is in Grahamstown in de winter bij lange na niet zo koud als in Nederland in december, maar omdat het maar een paar weken per jaar koud is, heeft geen enkel huis verwarming. En omdat het veel meer weken per jaar erg warm is, hebben de meeste openbare gebouwen wel airconditioning. In de faculteit Sociologie van de eerbiedwaardige Rhodes University (die eigenlijk omgedoopt zou moeten worden in Cecil University ofzoiets – in Rusland hebben ze immers ook geen Stalingrad meer…) vond de conferentie van de International Association for the Study of Popular Music plaats. En de airconditioning was niet te stoppen. Buiten was het 14 graden, binnen 12; iedereen zat met mutsen op en jassen aan blauw aangelopen naar de presentaties te luisteren. Welkom in Afrika.

Ik vind mezelf een bikkel als het kou betreft. Maar dat is omdat ik weet dat ik binnen een uurtje ofzo weer in een goed verwarmde woonkamer of keuken terecht kan. Bluf dus. Nu stapelde de kou zich op tot in mijn botten. Maar ik had een toevluchtsoord: bij Hilde in haar cottage. Hilde woont met haar twee hondjes tussen haar zelfgebakken potten in een gezellig rommelhuis. Ze is al oud, en wat doof, maar nog heel erg levendig en ze stommelt met een kruk langs haar doorgezakte banken, rafelige kamerschermen en Afrikaanse maskers. Het huis is te groot voor haar, dus de voorkamers verhuurt ze soms, als ze er zin in heeft of wat centjes wil bijverdienen. En omdat er in Grahamstown dankzij het jaarlijkse National Arts Festival geen hotelkamer meer te vinden was, nam ik haar aanbod dankbaar aan. Veel wollen dekens, een elektrische verwarming en een harde warme douche. Hmmmmmm.

Hilde verzorgt geen ontbijt en doet met haar oude benen ook geen kamerdienst (het leven is te kort voor dat soort dingen, vindt ze), maar, net als zoveel andere mensen in Afrika (wit of zwart), is ze zo vanzelfsprekend gastvrij. Eerst dacht ik (met mijn bindingsangst) dat het een behoefte aan gezelschap was, maar ze is teveel een vrijgevochten vrouw om die indruk lang te laten bestaan. Hilde is geboren en getogen in Namibië en ze vindt het heerlijk om Duits met me te babbelen. In haar grote leunstoel met vijf dekens over haar manke benen vertelt ze me prachtige verhalen over de muziek van de Herero. Ze mist haar familie die nog in Namibië woont, en centjes om erheen te reizen heeft ze eigenlijk niet.

Vanmorgen om 7 uur, toen ik het vliegtuig naar Durban moest halen, was er koffie in de keuken en stond ze erop me naar het opstappunt voor de shuttlebus te brengen. “Ik kleed me nu aan!” gilde ze en daarna reed ze haar rammelende oude bakkie (pick-up) met de kwispelende hondjes op de achterbank de garage uit.

‘Mijn ene dochter is makkelijk’, zegt ze in de auto, ‘die is zoals ik en rommelt wat rond, maar mijn andere dochter’ – ze trekt een zuinig mondje – ‘als ze bij me thuiskomt zegt ze: “Ik weet het gewoon niet meer. Wat moet ik hiermee…mijn familie, zo’n rotzooi.” Hilde schatert het uit en trapt het gaspedaal flink in. Ze geeft me bij de bushalte een stevige knuffel. “Auf wiedersehen” zeg ik, maar dat weet ze nog zo net niet. ‘We zullen zien. Als ik er dan nog ben.’ Het is het mooie en ook het droevige van op reis zijn: je ontmoet leuke mensen die je misschien wel niet meer terugziet.