woensdag 10 juli 2019

Update

Nou, nu maar eens een verslagje van alle leuke dingen die we de afgelopen dagen hebben gedaan. Ik vind het moeilijk daarover te bloggen. Omdat ik hier altijd onderzoek heb gedaan. Omdat ik hier eigenlijk voor het eerst gewoon maar op vakantie ben. Omdat alles hier moeilijk moet zijn.

Er is geen onschuld in je relaties met mensen, concludeerden Martha en ik, na alle apartheid en de huidige gapende sociaal-economische ongelijkheid en corruptie. Tegelijkertijd zijn alle relaties die we aangaan zo intens en onvoorwaardelijk dat we er helemaal warm van worden. En dankzij de frisse blik van Martha - die hierdoor blij verrast is - weet ik weer waarom ik hier zo graag ben.
We hebben een fantastische reis: heel erg geboft met de accommodatie, met onze chauffeur, genaamd Talent, die echt een reisgenoot aan het worden is nu we al drie dagen met elkaar optrekken, en geboft met het weer. Maandag de wijndomeinen rond Stellenbosch, nadat ik met collega's van het nieuw opgerichte Africa Open Institute een grote beursaanvraag in de grondverf had gezet. Toch een beetje werken, stiekem.




Op dinsdag vertrokken we uit Kaapstad om de zogenaamde Garden Route af te leggen. Ook voor mij helemaal nieuw: de West-Kaap met Swellendam als "laatste outpost van de VOC-kolonie in de wildernis" (niet mijn woorden), met de desolate woestijnranden van de Karoo, met dorpjes vol landrovers en gereformeerde kerken...
Nederlands Gereformeerde Kerk in Riversdale

Swellendam - the last outpost of the VOC colony...
... en met spectaculaire uitzichten over zee en een heuse walvisvaart, waar we een paar bultruggen naast ons zagen opduiken.

Glimpje bultrug

Hermanuspietersfontein, een naam die in 1902 is afgekort tot Hermanus omdat de postal services deze naam niet aankonden.


Onze chauffeur Talent spreekt Martha intussen respectvol aan met "Mother". Hij heeft een bulderende schaterlach en stelt alles ter discussie: de studie muziekwetenschap, de universaliteit van mensenrechten, de evolutietheorie. Dus we hebben ontzettend leuke discussies met elkaar en hij tart onze verwachtingspatronen. "Waarom zit iemand met een BA in informatica van de University of the Western Cape op een taxi", dachten we eerst. "Wat vreselijk dat hij zo onder zijn niveau moet werken". Maar Talent verdient een goede boterham met zijn eigen taxibedrijf en hij is nu bezig met zijn MA, ook in informatica. Hij rijdt taxi om zijn studie te betalen, net als mijn studenten eigenlijk.

En wel erg weer leuk voor ons, dat we een academisch geschoolde taxichauffeur hebben.
Talent and Mother
Mother and Daughter
We namen afscheid van de Atlantische kust met een koude zeestroom uit Antarctica en kwamen na het aantippen van de Karoo weer bij kust van de Indische Oceaan uit met een warme zeestroom van de evenaar.

Gansbaai
Nabij Plathuis
Uitzicht vanuit onze woonkamer van Far Niente
De vegetatie wordt tropischer, de temperatuur stijgt. We kunnen buiten zitten en vandaag kwamen we aan in dit paradijs op aarde, genaamd Far Niente. Lekker niksdoen aan het strand. We zitten letterlijk op het strand en horen de zee bulderen.

Ons huisje aan de zee. Zoek Martha. 
En we genieten van de goede wijn en van de goede gesprekken met elkaar.

maandag 8 juli 2019

Presence

Ik sprak net de tuinman van de royale villa met uitzicht op de Tafelberg waar Martha en ik voor een week onze intrek hebben genomen. Dat kostte nogal wat moeite. Ik sta in de keuken met grote ramen en openslaande deur een mandarijntje te eten. Hij is ons stoepje aan het vegen. Een oudere meneer, gebogen over zijn bezem.

We staan nauwelijks twee meter van elkaar af, maar hij kijkt niet op of om. Ik ken Zuid-Afrika zo langzamerhand goed genoeg om te weten dat het niet zozeer gaat over of hij mij ziet of niet, maar dat het gaat over dat ik hem niet hoef te zien. Hij doet de dingen waarover ik me niet eens hoef af te vragen hoe ze gebeuren - ze gebeuren gewoon, en de mensen die het doen "zijn" er niet: tuinmannen, obers, schoonmakers, alsof ze zich onzichtbaar maken.

Ik merk dat het me raakt, dus ik probeer contact te maken. Door zijn blik te vangen, door wat dichterbij te gaan staan. Uiteindelijk lukt dat. Hij glimlacht en steekt een hand op. Ik maak de deur open en stel me voor. Hij bedankt me. Waarvoor eigenlijk?

Jongere generaties Zuid-Afrikanen - the born frees - maken zich minder onzichtbaar, maar de verhoudingen zitten toch allemaal in ons systeem en onze lichaamstaal, ook de mijne. Zaterdag gingen Martha en ik in de Bo-Kaap - de Kaap-Maleise wijk - op zoek naar een buurthuis waar een markt zou zijn - en zo kwamen we in een achterbuurt terecht met drugsverslaafde bedelaars en verder niemand op straat: het scenario waar al mijn Zuid-Afrikaanse vrienden mij voor waarschuwen.
Toen we het buurthuis hadden gevonden, spraken we Irrefaan, een gemeenteambtenaar die - bij gebrek aan initiatief van de overheid - ook maar sociaal werker is geworden. Gratis yogalessen tegen de stress en busuitjes voor de kinderen die veelal nog nooit buiten de wijk zijn geweest. Hij vertelde ons uitgebreid over de rolmodellen die jonge Bo-Kapers ontberen, en onze academisch geschoolde taxichauffeur wijdt dat aan het slechte onderwijs in het Zuid-Afrika van na de apartheid.

We gingen koffie drinken in de Breestraat in een prachtig 17de-eeuws Hollands koopmanshuis, nauwelijks 5 minuten lopen van het buurthuis. Daar zaten 5 blonde meiden met tassen vol nieuw-geshopte kleren om 11 uur 's ochtends aan de champagne, terwijl ze door knappe zwarte jongens bediend werden.

Die tegenstellingen - naast elkaar, en gelukkig soms ook door elkaar - zijn zo uitgesproken hier. Het stoot me af en trekt me aan. En veel mensen kiezen ervoor om in hun eigen luchtzak te blijven zitten - je hoeft elkaar niet eens te zien, al sta je nog geen twee meter van elkaar iets te doen.

Vandaag gaan we wel lekker wijnproeven in Stellenbosch. Later meer over de vele andere uitjes.

woensdag 2 januari 2019

Zusterliefde

Elke keer zie ik er weer tegenop om naar Highflats te gaan. En deze keer was dat gevoel sterker dan anders. De hardvochtigheid van het leven voor mensen die dichtbij me staan raakt me harder dan vroeger. In dorpjes als Highflats blijven alleen degenen achter die de sociaal-economische ladder niet zelf op kunnen klimmen, onder wie de zussen Shko en Khoni Miya.
Ik heb al vaak geblogd over de gemarginaliseerde positie waarin beide uitvoerend kunstenaars zich bevinden. En de kracht die ze desondanks opbrengen en uitstralen. Zonder Shko en Khoni had ik mijn boek niet kunnen schrijven. Ik heb jaren met ze gewerkt in de Durbanse maskandapraktijk: repeteren, uitvoeren, festivals bezoeken. Hun wereld is de basis van mijn boek – hetgeen een ongewone basis is omdat maskanda een mannenbezigheid is met mannenwensen en mannenproblemen, terwijl Shko en Khoni uitgesproken feministen zijn. Ze komen met hun muziek niet alleen op voor hun eigen rechten, maar ook voor die van vrouwen in het algemeen. Ze spreken zich uit over de problematiek van gearrangeerde huwelijken, van luie of gewelddadige echtgenoten en HIV/AIDS. Dat is in Zoeloe (en Afrikaner en Indiase) gemeenschappen bepaald geen gemakkelijke of geaccepteerde opgave.
Onze steeds hechtere vriendschap vergt veel investering om de kloof tussen de hardvochtigheid van hun bestaan en de geborgenheid van het mijne te kunnen overbruggen. Dat diepe gapende gat voel ik trekken als ik er ben. Dat doet pijn, voor ons allemaal, zij het in verschillende mate. Maar de vriendschap geeft ons ook veel, hopelijk in vergelijkbare mate.

Het weerzien in Highflats was warm en emotioneel. We waren allemaal ontzettend blij elkaar na drie jaar weer te zien. Ik had boodschappen meegenomen uit de stad. Shko en haar dochter Akhona hadden jeqe (traditioneel brood) en isgwaqane (sugar beans) gemaakt.

Onmiddellijk was ik weer in een vrouwenwereld - een onuitgesproken segregatie op sekse die ik niet van thuis ken. Skho en Akhona bedekten de helft van de hut met schuimrubberen matrassen waar oma's, tantes, nichtjes en kleine kinderen allemaal tegen mekaar aan kruipen, niet alleen om te slapen, maar ook om te drinken, te roken, een kind aan de borst te leggen en te kletsen en te zingen. Mannelijke familieleden kwamen langs, voor een praatje, een drankje, een hapje eten en om te dansen, maar ze waagden zich niet eens in de buurt van de matras: vrouwendomein.
Baden gebeurt net zo gemeenschappelijk als slapen. In Highflats is geen stromend water en er zijn geen sanitaire voorzieningen. Wel elektriciteit en wifi, trouwens. Baden doe je al poedelend met een grote bak warm en een bak koud water uit de tank naast het huis en een washandje, in een ruimte die zich nog het best laat vergelijken met een algemene omkleedruimte in het zwembad in Nederland: de sociale interactie gaat gewoon door terwijl je in je blootje staat. Toen ik stond te baaien en met mijn vriendinnen stond te kletsen, staken af en toe eens nieuwsgierige jongetjes van zes hun hoofd door de deuropening om even snel een blik op mijn grote witte lijf te werpen voor ze met veel getier de kamer uitgejaagd werden. Oudere jongetjes piekeren er niet over om dat grapje uit te halen. En mannen al helemaal niet.
Ik vraag me af of de segregatie oorzaak of gevolg is van het endemische seksuele geweld in veel Zuid-Afrikaanse gemeenschappen, niet alleen tegen vrouwen, maar ook tegen kinderen. Mythes dat seks met kinderen AIDS geneest worden nog steeds aangehangen. Vrouwen worden zelf schuldig geacht als ze verkracht worden. Sowieso is de scheidslijn tussen de voorrechten van de man in het huwelijk en verkrachting niet altijd even duidelijk. Dat is precies waar Shko en Khoni over zingen. Het viel me op dat elke keer als ik 's avonds naar de latrine liep voor een plasje, Akhona met me meeliep en in de buurt bleef tot ik klaar was. Toch voelde ik me geen moment onveilig - wellicht (zoals Mageshen vroeger vaak zei) omdat ik in mijn leven nooit daadwerkelijk in gevaar ben geweest en daardoor niet weet wat angst is.
Maar de heftigheid van Zuid-Afrika gaat wel onder mijn huid zitten.

De female bonding kreeg een hele interessante extra dimensie toen ik Khoni verwelkomde bij aankomst. Ze zat als mater familias in bed met een biertje. Ze vroeg me bij haar te komen zitten en gaf me - zoals gewoonlijk - huiswerk op: ze wil dat ik een man voor haar zoek in Nederland, en ze wil een tournee organiseren met een groep van vijf of zes muzikanten. Het is een herhalingsoefening, van beide kanten. Zeker met betrekking tot een tournee is er best wat te regelen - weet ik ook. Maar Shko en Khoni verwachten er een ultieme verandering in hun leven van. Het lukt me niet uit te leggen dat een buitenlandse tournee niets wezenlijks gaat veranderen aan hun levensomstandigheden. 

Dan wijkt Khoni van het script af. "Ik ga je een rare vraag stellen," zegt ze. "Je hebt geen vriendje, toch? Val je misschien op vrouwen?" Dit is één van de dingen die ik fijn vind in Zoeloe Zuid-Afrika: gesprekspartners zijn direct. In Indonesië of zelfs Engeland denken mensen van alles, maar ze zullen het nooit zeggen of vragen. Khoni vraagt het "op de man af" - niet geheel zonder eigenbelang, zo blijkt. "Ik heb me dat zelf ook vaak afgevraagd", antwoord ik haar. Ik leg haar uit dat op mannen of vrouwen vallen in Nederland niet zo'n big deal is, dat je ook kunt wisselen tussen mannen en vrouwen, dat je altijd wel kunt trouwen en dat homoseksualiteit - althans in mijn omgeving - volkomen geaccepteerd is. "Waarom begin je dan niks met een vrouw?" vraagt Khoni. "Omdat ik nog nooit verliefd geworden ben op een vrouw," antwoord ik. "Houd je van Shko?" vraagt Khoni. "Tuurlijk houd ik van Shko," zeg ik. "We zijn bevriend." "Dat bedoel ik niet," zegt Khoni geïrriteerd. "Zou je haar als partner meenemen naar Nederland?" "Nee, dat niet," zeg ik. "Waarom heb je dan geen man?" vraagt Khoni. 

Gelukkig kan ik met een uitleg komen die Khoni uitstekend begrijpt. Ze is zelf immers ook ongetrouwd en kinderloos, en zeker 10 jaar ouder dan ik. Dat veel mannen met wie ik iets begon uiteindelijk iets van me vroegen wat ik niet wilde opgeven: mijn vrijheid om te bewegen waarheen ik wil, en om zonder onderbreking aan iets te kunnen werken. 

Dan zitten we weer helemaal op één lijn, maar ik ben geraakt door de out-of-the-Zulu-box variatie op Khoni's thema: het zelf gekozen maar desalniettemin functionele huwelijk om te ontsnappen aan de sociale omstandigheden waarin zij en haar zussen zich bevinden. 

vrijdag 28 december 2018

Schraalhans Keukenmeester

Toen ik vanochtend wakker werd zat er een oude makker op de veranda van Louise en Jon de krant te lezen: Dennis Thembinkosi Hadebe, de tuinman van Mackaya Bella die me in mijn eerste weken in Zuid-Afrika van alles over maskanda vertelde. Hij is een belangrijke bron voor mijn boek en ik heb hem een exemplaar beloofd dat hij - zeker weten - van A tot Z gaat lezen.

Hij is - net als ik - nu 10 jaar ouder, en tegen de pensioengerechtigde leeftijd, maar still going strong. Hij moet wel. Het merendeel van zijn leven heeft hij in apartheidstijd doorstaan; hij heeft geen enkele mogelijkheid gekregen om zich te ontwikkelen, en dus heeft hij de mogelijkheden maar zelf geschapen. Alles gelezen wat los en vast zit. Met een tuinmannensalaris zorgvuldig centjes gespaard om een plotje land te kopen. Hoe langer ik hier ben, hoe meer bewondering ik daarvoor krijg: mensen die ondanks zoveel achterstand en tegenwerking net zo goed kunnen formuleren en zeker beter kunnen plannen dan ik, terwijl ik daar een stabiele thuisomgeving en een zwaar gesubsidieerd onderwijstraject van tientallen jaren voor nodig heb gehad.

Eens in de week komt Dennis bij Louise en Jon de tuin doen. Hij weet ongelooflijk veel van inheemse planten: hoe ze heten (in het Zoeloe, het Engels en het Latijn), hoe je ze moet verzorgen, wanneer je ze moet verplanten of snoeien, hoe je ze kan stekken. Hij weet welke vogels en bijen erdoor aangetrokken worden, hij deelt ideeën over de inrichting van het tuinlandschap. Louise is ervan overtuigd dat Dennis in een eerlijker Zuid-Afrika een vooraanstaand bioloog was geworden of hoofdcurator bij de Botanische Tuinen. Maar zoveel eerlijkheid is Dennis niet vergund geweest.

Daar heeft hij het zichtbaar moeilijk mee. Hij woont in de letterlijk verrotte township Umlazi, tussen familieleden die naar zijn zeggen vooral druk zijn met zuipen, herrie schoppen en teveel kinderen krijgen. Hij zegt onomwonden alle dingen die ik nooit over achterstandswijken durf te denken, laat staan te zeggen, en hij geeft er een volledige sociaal-economische én culturele analyse bij waar ik weinig tegen in te brengen heb.

Bij Jon en Louise kan hij een beetje tot rust komen; de krant lezen, goed te eten krijgen, wat in de tuin doen, daar wat mee verdienen, en dan een douche nemen, maar - zegt hij - tegen douchetijd wordt hij al weer chagerijniger omdat hij weer terug moet naar zijn township, met de herrie, de werkloze en verslaafde neven, en zijn zussen die steeds om meer geld vragen zonder er iets voor terug te geven.

Ik ken alleen Dennis' kant van het verhaal, maar het komt op belangrijke punten overeen met de situatie van mijn maskandavrienden in Highflats die ik morgen ga opzoeken. Ik probeer Shko's dochter te helpen met het verwerven van een diploma - wat voor diploma dan ook, als ze maar aan het werk kan. Vorig jaar werd ze zwanger. De vader van het kind verliet haar zodra hij dat hoorde ("wie zegt dat het mijn kind is?"), net zoals haar vader haar moeder verliet toen die zwanger werd van haar. Nu kan alleen zij voor het kind zorgen. Van school komt het dus niet, en mijn ondersteuning is meer nodig dan ooit, maar niet voor de zaken waarvoor we die hadden bedacht.

Het is makkelijk voor mij om te zeggen dat ze niet zwanger had moeten worden. Dat hoeft niet eens want dat zegt ze zelf al. Met een hartverscheurend zelfverwijt. En als ik bedenk hoe on/voorzichtig ik doorgaans zelf ben met het al dan niet voorkomen van dit soort dingen dan is het werkelijk een wonder (en ik prijs mezelf daarin gelukkig) dat ik nog niet zwanger ben. Bovendien verheugen we ons allemaal op het moment dat ik de kleine Lisakhanya morgen voor het eerst ga ontmoeten en haar dan kan knuffelen.

Mijn salaris van dit jaar - dat genoeg is om een heel gezin in Nederland te onderhouden - is op, dankzij mijn zes reizen naar drie continenten. Ik heb geen cent gespaard. Integendeel zelfs. Dus ik kan alleen maar diep buigen voor een tuinman die voor een plotje land kan sparen, of - zoals Louise en Jon me vertelden - een parkeerwachter die met de toegestopte muntjes van parkerende gasten een auto bij elkaar gespaard heeft zodat hij nu taxichauffeur kan zijn.

Maar met alleen respect veranderen we niets, zeker als (alcohol)verslaafde ooms, tantes, neven en nichten hun deel opeisen, in een verwrongen idee van wat eigendom is. "Jouw eigendom is ook mijn eigendom, en als je het niet deelt ben je slecht, ook al werk jij ervoor en ik niet." Dennis noemt het jaloezie, maar ik vind het ook een onvermogen om te functioneren in een marktideologie die uitgaat van een individualistisch eigendomsbeginsel. In een land met zoveel ongelijkheid pakt die ideologie voor enkelen goed uit, maar voor de meesten desastreus. Bovendien is het land de afgelopen jaren letterlijk leeggeplunderd door Zuma en de Gupta brothers.

Ik zeg: iedereen een basisinkomen.

donderdag 27 december 2018

Urban Jungle

In Johannesburg is het dan wel 38 graden, maar het is kurkdroog. In Durban is het 25 graden en het voelt veel warmer dan Johannesburg. Warmer dan Yogya zelfs. Na de onweersbui van vannacht was de stad vanmorgen gehuld in een dikke mist die in niets lijkt op Nederlandse nevel. De warme lucht en de warme druppels worden één, alles druipt. Als je een ledemaat beweegt, stroomt het zweet van je lijf.

Ik ken Durban goed, heb er maanden (in totaal zelfs meer dan een jaar) van mijn leven doorgebracht, ik heb er gewerkt, gedanst, gezongen, lief gehad, veel wijntjes gedronken en veel avocado's uit eigen tuin verschalkt. Ik zal niet zeggen dat ik elke straathoek ken, maar het komt wel in de buurt.
Iedereen die het zich kan veroorloven doet hier alles met de auto. Zo deed ik het ook altijd: al mijn vrienden en collega's hebben auto's of anders belde ik Selby, toen hij zich nog niet bij de voorvaderen gevoegd had. Bovendien vertelde iedereen me continu dat een buitenlander zich niet in haar eentje te voet op straat moet begeven. Veel te gevaarlijk.

Maar lichaamsbeweging in de buitenlucht is in opmars. 's Ochtends zie je joggers in het park: dun en dik, zwart en wit. Elke zaterdag is er op drie plekken in Durban een duurloop met een app, waarop je bonuspunten voor de supermarkt kunt verdienen als je je eigen record verbetert. Daar komen elke week zo'n 2000 mensen op af. Onze Appie kan er wat van leren.

Ik ben hier nu voor het eerst sinds ik lopen leuk vind, sinds de heupvervanging in 2016. Ik verblijf weer bij Louise en Jon, die voorheen hun Mackaya Bella guesthouse hadden, maar nu genoeg hebben van de hotelverplichtingen. Ze zijn kleiner gaan wonen, maar verhuren hun tuinhuisje via AirBnB. Zo heb ik over de hele wereld mijn tuinhuisjes: in het bamboebos (Yogya), in de welvarende groene achtertuin (Johannesburg) en in de met zorg aangelegde inheemse tuin van Louise (Durban).
Upala Java House - Yogya

Melville - Johannesburg

Berea - Durban
Louise en Jon zijn een soort tante en oom voor me. Ze zijn iets jonger dan mijn ouders, en toen ik voor het eerst in hun guesthouse neerstreek in 2008, raakten we al snel bevriend. Ze hebben altijd een oogje in het zeil gehouden en ook in moeilijke tijden met Mageshen kon ik altijd bij hen aankloppen. Dat is gebleven. Ze vinden het geweldig als ik er ben, en smullen van mijn verhalen.

Toen ik ze vertelde hoe makkelijk lopen voor mij is geworden, vroegen ze of ik zin had om met Jon mee te gaan op zijn dagelijkse ochtendwandeling. Een uurtje lopen, door de groene corridors van Durban, die nog tijdens de apartheidstijd zijn aangelegd door een milieuvriendelijk gemeentebestuur.

Ik had die groene corridors van Durban nog nooit gezien. Ze zijn in eerste instantie bedoeld voor dieren om zich te verplaatsen: ecoducten uit de jaren 80. Maar mensen kunnen en mogen er ook in recreëren. D.w.z. voorheen alleen witte mensen. Nu gelukkig alle mensen.

Het hoogtepunt van deze groene pockets is het Pigeon Valley Park, een stuk oerwoud van enkele vierkante kilometers midden in suburbia.

In de dampende mist wandelden Jon en ik er om 07.00 uur heen - langs Mageshens huis, langs Moore Road die ik minstens 100 keer op en neer gescheurd ben, langs de banketbakker, de jacarandabomen en de uitbundig bloeiende bougainvillia's in de berm.
Het park had een poort en een boswachtershuisje, en het was beeldschoon. Een vochtzwanger oerbos, zeker, maar toch weer heel anders dan het druipende oerwoud dat ik ken uit Indonesië. Zoveel verscheidenheid. Waanzinnig.
Door kruipdoor-sluipdoorpaadjes liepen we door het woud/bos/park. We zagen duikers (geen waterbeesten maar wegduikende antiloopjes), we hoorden en zagen vogels, werden opgejaagd door een nijdige broedse hadida, en stelden ons voor hoe het was voordat de eerste Europese settlers hier neerstreken aan het begin van de negentiende eeuw.

Jon is een erudiete natuurkundige, een man van weinig woorden die alleen iets zegt als hij vindt dat het iets toevoegt aan het gesprek. Hij heeft meer dan een jaar voor onderzoek op Antarctica gezeten en was gastdocent in Cambridge. Hij kent het bos op zijn duimpje. Ik kom hier elke zondag, vertelt hij. "In communion with nature. Andere mensen gaan dan naar de kerk. Ik kom liever hier om mijn ziel van binnen te bekijken."

Vluchtnummer

In de desoriëntatie maar ook ontspanning van mijn lege warme dagen bij Grant en Angus in de veilige achtertuin merk ik ook weer wat mijn standaardinstellingen zijn: om georganiseerd te zijn, moet ik moeite doen, opletten, mijn kop erbij houden. Gelukkig heb ik dat goed geleerd als kind (dankjewel mama), maar van nature doe ik het niet.

Grant en Angus waren al op vakantie vertrokken toen ik gistermorgen mijn vlucht naar Durban moest halen: tripje van een uurtje, domestic flight, no big deal. Ik had de hele ochtend met Igz koffie gedronken en bijgekletst, toen rustig mijn koffer gepakt, toen nog even mijn vluchtnummer gecheckt.

Ik had de aankomsttijd in Durban als vertrektijd uit Johannesburg in mijn hoofd. Dat betekende dat mijn vliegtuig 70 minuten eerder vertrok dan ik had gedacht. Daar kwam ik 60 minuten voor vertrek achter. De rit van Melville naar het vliegveld is zeker 30 minuten - als je mazzel hebt met het verkeer. Johannesburg is geen Jakarta, maar het ontloopt elkaar niet veel...

In de moed der wanhoop Welcome gebeld. Welcome had me in die week al eerder rondgereden; we kunnen het goed met elkaar vinden en hij zou me sowieso in een half uur komen halen.

I'm 10 minutes away, zei Welcome en hij kwam inderdaad onmiddellijk. Jump in the car, zei hij. Ik gaf Igz een knuffel en stapte in. We'll get there, lachte Welcome. Goddank waren de straten leeg - iedereen zit thuis in het dorp bij familie op Tweede Kerstdag.

Hij reed heel erg snel, heel erg gefocust, en heel erg veilig. We waren er in 24 minuten - toen was de check-in net 5 minuten dicht. Het vliegtuig zou exact over 30 minuten vertrekken. Ik gaf Welcome een fikse fooi en rende de vertrekhal in.

Ik probeerde mijn vlucht op het bord te vinden, maar hij was er al vanaf gehaald. Een oudere meneer, duidelijk een assistent bij het online inchecken vroeg of hij me kon helpen. Ik legde hem de situatie uit. Hij scande mijn paspoort en zag dat de vlucht niet meer beschikbaar was. Hij gaf me een flinke uitbrander, duidelijk met de bedoeling om te vertellen dat hij me een enorme dienst ging bewijzen.

"Je moet echt eerder komen als je vlucht om 13.30 uur gaat" zei hij streng. "Ik zal kijken wat ik voor je doen kan. Kom mee." Hij rende op een holletje naar een check-inbalie. Aangezien hij mijn paspoort in zijn hand had, rende ik er maar braaf achteraan. Hij wrong zich voor alle rijen, legde in Zoeloe aan de baliemedewerkers mijn situatie uit, en, verdomd, hij kwam onmiddellijk terug met een boarding pass voor de juiste vlucht op mijn naam. Je koffer moet als handbagage mee, zei hij - die kunnen we niet meer inchecken.

Daarna rende hij met me naar de security. "Hier eindigt het traject waarop ik je kan helpen, vanaf hier moet je het zelf doen", zei hij gewichtig. "Maar sisi, I just saved your life, the least you can do for me is make my Christmas a happy one." Dus ik trok mijn portemonnee maar weer. Hij had gelijk: dankzij hem stond ik keurig 15 minuten voor vertrek bij de gate te boarden - ik was niet eens de laatste.

Onweer

Vannacht een kolossale onweersbui. Flitsende bliksems, diep gerommel dat m'n hele vloer deed trillen, tropische regenbui kletterend op mijn zinken dak.

Elke lichtflits en elke diep aardse rommel leek zijn effect te hebben op mijn lichaam: alsof er spanning in opgeladen werd. Eng wel. En dat opgeladen lijf leek meer flitsen en klappen uit te lokken. Ik had het snikheet, maar tegelijkertijd ook koud van de airco boven mijn hoofd. Ik voelde me koortsig, maar niet ziek. Ik sliep half, maar voelde me op unheimische wijze ook wakker en alert.

Ik voelde ook een rusteloze kriebel in mijn beide heupgewrichten - alsof ze buiten mijn aansturing om moesten bewegen. Zou het metaal in mijn benen de bliksem aantrekken? Maar de een is van metaal en de ander niet - en ze voelen allebei even rusteloos.Wachten maar op de volgende diep grommende ontlading. Het was geen erotische spanning, maar een mij volstrekt onbekende, fysiek elektrische geladenheid.

Misschien hadden ze muthi (traditionele hallucinerende toverkruiden) in mijn avondmaal gedaan in het restaurantje in Davenport. Maar ik denk eerder dat ik teveel Salman Rushdie lees. Wiens creatieve hoofdpersonen aanvankelijk fantasie en werkelijkheid moedwillig door elkaar gooien, waarna ze onherroepelijk in die verwarring worden meegezogen, de regie verliezen en zichzelf. Een voor mij beangstigend maar ook aanlokkelijk spel met controle en verlies van de vaardigheid een situatie te registreren en in te schatten.

De eerste dagen hier heb ik alleen maar gelezen. Bij Grant en Angus in hun grote achtertuin naast het zwembad in Melville, Johannesburg. Het is eigenlijk mijn eerste vakantie sinds de zomer van 2017. De vorige kerstvakantie heb ik doorgewerkt. De afgelopen zomervakantie heb ik mijn boek afgeschreven en mijn crashcursus academisch Indonesisch gedaan. Ik voel nu pas hoe ontzettend moe ik ben.
In Johannesburg was het de afgelopen dagen 's middags steeds zo'n 38 graden. Ik smolt langzaam als een pudding in de zon en sprong dan het zwembad in om niet helemaal in vloeibare gelaagde Rushdiaanse fantasie te verdwijnen. Ik kon enkel lezen; geen letter op het scherm krijgen. Hersens zijn ook pap.

Toch was er genoeg om over te bloggen: de door elektrisch prikkeldraad afgeschermde wereld van een welvarende groene achtertuin met zwembad, de moeite die het kost - mentaal en fysiek - om daar uit te komen, mijn cultural shock na zoveel jaren Indonesië en Javaanse beleefdheid als mijn "eerste vreemde lichaamstaal" die hier he-le-maal niet begrepen wordt, mijn Zuid-Afrikaanse houding proberen te hervinden, alle mislukte pogingen tot communicatie in Zoeloe, mijn vrienden die de welvarende achtertuin kunnen binnenkomen, ieder met verhalen die ik niet op internet kan en wil zetten omdat ze persoonlijk zijn maar zo schrikbarend dat ik er iets mee moet.

Nu ik hier drie jaar niet geweest ben (de langste afwezigheid sinds ik hier voor het eerst kwam in 2007), voel ik weer hoe getraumatiseerd deze samenleving is en hoe ongelijk de pijn van die trauma's verdeeld is tussen witte en zwarte mensen, tussen mannen en vrouwen, tussen volwassenen en kinderen.

De gruwelijkheid van de verhalen van sommige van mijn vrienden en de weerbaarheid die ze desondanks hebben om te studeren, een goede baan te krijgen, familieleden groot te brengen, vrienden te helpen maakt me heel erg boos en ook heel erg nederig.

Rushdies balanceeract tussen werkelijkheid en fantasie, zijn spel met zintuiglijke ervaring en cerebrale uitweiding naar Shakespeare en de Ramayana krijgt er voor mij een extra dimensie, een extra verwarring, een extra gevoel van angst en verlorenheid bij die voor mij - iemand die tot nog toe persoonlijk gevrijwaard is van gruwelijkheid - aantrekkelijk is. Het was de reden dat ik ooit naar Zuid-Afrika kwam: om te voelen dat ook ik moet balanceren, tussen wat ik wil, en kan, en verzin en meemaak. En dat ook ik over het randje kan donderen. Maar ik voel ook dat die balanceeract niet meer aantrekkelijk is zodra het geweld te dichtbij komt - bij mijn vrienden en dierbaren.

De onweersbui van vannacht symboliseerde dat geweld. Rushdie speelt er ook mee: het schijnbaar onschuldig griezelen van een kind ontaardt op een onbewaakt moment in een paranoïde monster dat je verorbert. Mijn bionische heupen werden een geïnternaliseerde klankkast-amplifier-loop station van de donderslagen en lichtflitsen. Ik was overgeleverd aan de Lord of the Sky (genaamd "Zulu"). Over het algemeen ben ik dol op onweer en storm, maar dichter dan dit ben ik nooit geweest bij wat je een existentiële angst zou kunnen noemen. Lucky me.